Powerpoint

1 / 43
volgende
Slide 1: Slide
newEditorASVBuitengewoon secundair onderwijs

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Welke emoties kennen jullie?

Verdrietig

Angst

Boos

Blij

Boos

  • Wenkbrauwen naar beneden

  • Neusvleugels licht open

  • Spanning in schouders of armen

  • Vuisten of wilde hand gebaren

  • Armen over elkaar

Blij

  • Lachen

  • Mondhoeken omhoog

  • Ogen worden kleiner

  • Ontspannen houding


Bang

  • Grote ogen

  • Wenkbrauwen omhoog

  • Handen omhoog, voor de mond

- Mond open


Verdrietig

  • Naar beneden kijken

  • Vochtige ogen

  • Mondhoeken naar beneden



Welke emotie zie je op de foto?

A

bang

B

blij

C

verdrietig

D

boos

Welke emotie zie je op de foto?

A

bang

B

blij

C

verdrietig

D

boos

Welke emotie zie je op de foto?

A

bang

B

blij

C

verdrietig

D

boos

Welke emotie zie je op de foto?

A

bang

B

blij

C

verdrietig

D

boos

Situatie  emotie


Je krijgt een compliment


Je ziet een spin.


Iemand steekt voor in de rij.


Iemand maakt per ongeluk je gsm kapot.


Je hebt ruzie met je beste vriend/vriendin.


Je bent verloren gelopen.


Iemand lacht jou uit.


Je vindt geld op straat.

Wat doe je: als je het zelf voelt?

  • Vertellen aan iemand

 delen blijheid

  • Lachen

Blij

  • Hulp vragen

  • Stap voor stap

  • Ademhalingsoefeningen

Bang

  • Huilen

  • Iets leuks gaan doen

  • Praten

  • Rusten

Verdrietig

  • Rustig proberen worden

  • Uitlaatklep zoeken: bewegen, iets creatiefs doen.

  • Ademhanlingsoefeningen

Boos

Ademhalingsoefeningen

3 seconden


4 seconden


Hoe reageer je op de gevoelens van andere?

  • Luisteren

  • Blij zijn voor de andere

Blij

  • Helpen

  • Geruststellen

Bang

  • Luisteren

  • Troosten

Verdrietig

  • Ruimte geven

  • Rustig blijven

Boos

Situatie

Kies de reactie die jij het beste vindt.





Een vriend is verdrietig omdat hij niet is uitgenodigd op een verjaardagsfeest.

A

Je luistert, vraagt wat er is en probeert hem op te vrolijken.

B

Je zegt dat het zijn probleem is en gaat iets anders doen.

Een klasgenoot wordt boos op jou omdat hij denkt dat je hebt vals gespeeld.

A

Je wordt ook boos en roept dat hij ongelijk heeft.

B

Je blijft rustig en wacht tot de andere ook rustig is. Dan kan je erover praten.

Je zus is blij omdat zij een leuk spelletje heeft gekregen voor haar verjaardag.

A

Je doet alsof je niet geïnteresseerd bent en stelt voor om een ander spelletje te doen.

B

Je bent blij voor je zus en speelt samen met haar het nieuwe spelletje.

Je broer durft niet mee in de zee te gaan zwemmen. Hij blijft op het strand staan en kijkt bang naar het water.

A

Je vraagt waarvoor hij bang is, moedigt hem aan en blijft bij hem.

B

Je zegt dat hij niet flauw moet doen.

Groepswerk

  • In groepjes per 2 of 3.

  • Welke emotie zie je?

  • Hoe zou jij reageren?

  • Vertellen aan de klas.