Engels Vervolg A1, thema 2, H1 woorden en uitdrukkingen (deel 2)

Thema 2
Jij & je buurt

Hoofdstuk 1
kijken en luisteren

Doel van de les
Je leert woorden en zinnen waarmee je iets over je buurt en omgeving kan vertellen.  
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Thema 2
Jij & je buurt

Hoofdstuk 1
kijken en luisteren

Doel van de les
Je leert woorden en zinnen waarmee je iets over je buurt en omgeving kan vertellen.  

Slide 1 - Tekstslide

Welke Engelse woorden ken jij nog van de vorige les (buurt en omgeving)?

Slide 2 - Woordweb

Woordblok 2A
have to - moeten
make plans - plannen maken
invite - uitnodigen
neighbours - buren
walls - muren
tell - vertellen
write - schrijven
date - datum
also - ook
hope - hoop

everyone - iedereen
neighbourhood - buurt
need - nodig hebben
food - eten
cheap - goedkoop
different - andere
maybe - misschien
cook - koken
country - land
bring - meenemen
try - proberen

Slide 3 - Tekstslide

Woordblok 2A
have to 
make plans
invite
neighbours
walls
tell
write
date
also
hope
Indiaan
everyone
neighbourhood
need
food
cheap
different
maybe
cook
country
bring
try
Nigerian

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Link

Wat proberen deze jongens te regelen en wat moeten ze daarvoor doen? Noem 3 dingen

Slide 6 - Open vraag

Wat betekent 'neighbours'
A
buren
B
familie

Slide 7 - Quizvraag

Wat betekent 'maybe'
A
moeten
B
proberen
C
misschien
D
vertellen

Slide 8 - Quizvraag

Wat betekent 'invite'
A
meenemen
B
afspraak
C
goedkoop
D
uitnodigen

Slide 9 - Quizvraag

Wat betekent 'It is next month'

Slide 10 - Open vraag

Schrijf in het Engels 'goed idee'

Slide 11 - Open vraag

Uitdrukkingenblok 2
From their own country.
Good idea.
I hope everyone wants to help.
He lives at number 20.
He is from India
I would like to
Me too! 
How are you?
I am fine.
Yes, I know.
It is next month.
How about this?
It is going to be fun!
What can we write on the flyer?

Slide 12 - Tekstslide

When is the party?

Welk antwoord past bij deze vraag?
A
Yes, I know.
B
He is from India.
C
It is going to be fun.
D
It is next month.

Slide 13 - Quizvraag

Good idea!

Welke vraag past bij dit antwoord?
A
How about this?
B
How are you?

Slide 14 - Quizvraag

Zo wijs je een ding, dier of mens aan
this = dit of deze (enkelvoud)                       Meervoud
* This is my friend.                                             * These cars are old.
* This phone is new.
Hier / dichtbij (this of these gebruiken wanneer het hier / dichtbij is.)


that = dat of die (enkelvoud)                         Meervoud                              
* That street over there is long.                  * Those birds over there are beautiful.
* That is een old picture.
Daar / ver weg (that of those gebruiken als het daar / ver weg is.)

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Video

(Dat).......restaurant is my favourite place to eat.
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 17 - Quizvraag

(Dit).......is my favourite coffee shop.
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 18 - Quizvraag

(Die).......childeren over there live in our neighbourhood.
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 19 - Quizvraag

Aan de slag!
Begin op bladzijde 72.

Maak opdracht 17 tot en met 29.

Klaar? Studiemeter - Engels Vervolg online - Thema 2 - woorden oefenen - oefening 1 en 2. 

Slide 20 - Tekstslide