week 3, Bevalling

1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
kraamverplegingMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 100 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

De standaardcontroles zijn controle van de hartslag en echoscopie. Controles op indicatie zijn: vlokkentest (chorionbiopsie), vruchtwaterpunctie (amniocentese), combinatietest, NIPT en cardiotocografie (CTG).

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de gemiddelde hartslag van een foetus?
timer
0:30
A
even snel als de moeder
B
dubbel zo snel als de moeder
C
200 pm
D
220 pm

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Bij cardiotocografie (CTG) worden de hartslag van de baby en de contracties van de uterus voor of tijdens de bevalling continu geregistreerd. Een CTG kan worden gemaakt vanaf een termijn van 25 weken gravida. 

timer
10:00
Op welke 5 punten wordt
een CTG beoordeeld?

Slide 8 - Woordweb

maak een klein overzicht met de beoordelingen en de interpretaties

basisfrequentie;
aanwezigheid van acceleraties;
aanwezigheid van deceleraties;
variabiliteit;
aanwezige weeënactiviteit.
timer
15:00

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Het bekken is onderdeel van het geboortekanaal. Het bestaat uit het grote en kleine bekken. Het bekken van de man en vrouw zijn verschillend. Bij de vrouw is de holte breder en groter, dan bij de man.

Slide 12 - Tekstslide

Het geboortekanaal bestaat uit:

Het geboortekanaal is niet breed, dat is reden dat de ligging van de baby in de gaten wordt gehouden.

Slide 13 - Tekstslide

Een belangrijk gegeven voor de bevalling is de ligging van de baby in de uterus. In 95% van de gevallen ligt bij de bevalling de foetus met het hoofd naar beneden.

Tot welke maand kan een foetus zich vrij bewegen in de
baarmoeder?
timer
0:30
A
5-6
B
6-7
C
7-8
D
8-9

Slide 14 - Quizvraag

Een ongeboren kind heeft tot de zesde of zevende maand alle mogelijkheden om zich vrij in de baarmoeder te bewegen.

Slide 15 - Tekstslide

Het breedste deel van het bekken = 13 cm, smalste deel= 10 cm
Daarom zijn er aanpassingen bij de foetus. De schedel bestaat uit 5 delen, bij een baby zijn deze delen zacht en kunnen in elkaar schuiven (moulage).
Verder moet de baby tijdens de geboorte 2x het hoofd draaien, de inwendige en uitwendige spildraai.
Wanneer de baby indaalt en de ontsluiting start, neemt het kindje een flexiehouding aan, kin op de borst, om zo de oppervlakte van de schedel te verkleinen.

Slide 16 - Tekstslide

Hier zie je de spildraai en de flexiehouding

Slide 17 - Video

Deze slide heeft geen instructies

timer
1:00
Welke hormonen spelen
een rol bij de bevalling

Slide 18 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Hoe de bevalling op gang komt is nog steeds niet helemaal bekend. 4 hormonen spelen een belangrijke rol:
De placenta maakt progesteron aan wat helpt om de spiercellen van de baarmoeder te ontspannen (hierdoor worden geen weeën opgewekt, samentrekkingen worden voorkomen). Je begrijpt dat aan het einde van de zwangerschap de baarmoeder minder gevoelig is voor dit hormoon.
De placenta maakt ook oestrogeen aan en vanaf de 34e week is er meer aanmaak van oestrogenen dan van progresteron. Oestrogeen zorgt voor verbindingen tussen de spiercellen oxytocinereceptoren, waardoor deze beter kan samentrekken.
Als 3e worden er prostaglandines aangemaakt. Deze zorgen ervoor dat de baarmoederhals weker wordt.
Oxytocine stimuleert krachtige samentrekkingen van de baarmoeder. Dit proces versterkt zichzelf. Hoe meer weeën hoe meer aanmaak van oxytocine. Oxytocine wordt ook wel het bevallingshormoon genoemd.

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

De vordering van de baarmoeder wordt geobserveerd door middel van een vaginaal toucher aan de hand van POVIAS:

timer
1:00
Geboorte na 42e week van de zwangerschap
Geboorte voor de 37e week van de zwangerschap
De pasgeborene heeft een te laag gewicht 
De pasgeborene is te groot voor de duur van de zwangerschap
gravida
primipara
multigravida
primigravida
macrosoom
serotien
dysmatuur
prematuur
Een vrouw die zwanger is
Een vrouw die voor het eerst bevalt
Een vrouw die voor de 2e keer of meer zwanger is
Een vrouw die voor het eerst zwanger is

Slide 22 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Sonja kreeg 2 miskramen en is
nu bevallen van een gezonde
dochter. In het dossier staat.....
timer
0:30
A
PII,GI
B
GII,MI
C
GII, PI

Slide 23 - Quizvraag

Zij is een vrouw die voor het eerst bevalt dus een primipara, maar het is de tweede keer dat zij zwanger is, zij is dus een multigravida
timer
10:00
Zoek de kenmerken op in het boek kraam, kind en jeugd

Slide 24 - Tekstslide

Zoek de kenmerken op in je studieboek

Slide 25 - Tekstslide

Bevallen kan in verschillende posities, dit is onder andere afhankelijk van de voorkeur van de kraamvrouw en de verloskundige.

Slide 26 - Tekstslide

De bevalling kun je onderverdelen in 4 fasen.
De ontsluiting bestaat uit 2 fasen. De latente fase en de actieve fase. De fase van ontsluiting is zeer verschillend van duur, maar duurt meestal acht uur of langer. Tijdens het begin van deze fase is er elke tien tot dertig minuten een wee; de frequentie neemt geleidelijk toe. Tegen het eind van deze fase breekt het amnion; soms wordt gezegd dat ‘de vliezen breken’.
De uitdrijving begint als de baarmoedermond, die door de naderende foetus open wordt gedrukt, zich volledig verwijdt (10cm ontsluiting). De uitdrijving gaat door totdat de foetus uit de vagina is gedreven, een periode die meestal minder dan twee uur in beslag neemt.
Tijdens de nageboorte wordt de baarmoeder geleidelijk kleiner doordat de spieren in de deels ledige baarmoeder zich samentrekken. Door deze samentrekkingen van de baarmoeder maakt de placenta zich los van het endometrium. Deze fase eindigt meestal binnen een uur na de bevalling met de uitdrijving van de placenta of de ‘nageboorte’.

Welke observaties doe jij als
verpleegkundige
bij de barende vrouw?

Slide 27 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 28 - Tekstslide

Vruchtwaterverlies. Bij twijfel wordt een varentest gedaan. Een druppel opgedroogd vruchtwater laat onder de microscoop een varenpatroon zien. Bij een positieve varentest verliest de zwangere inderdaad vruchtwater.
Kleur van het vruchtwater.
Bloedverlies en als er bloedverlies is de hoeveelheid en de kleur.
Of de barende bewegingen van het kindje voelt.
CTG-gegevens.
Pols-, temperatuur- en bloeddruk.
De manier waarop de barende en haar partner de baring beleven.
Weeën activiteit: frequentie, duur en sterkte
Gedrag van de barende
Wanneer de weeën sterk zijn, zie je aan de vrouw dat zij een beetje wazig kijkt, langzamer of zelfs niet meer reageert op vragen. Als je dit ziet, weet je dat de endorfine zijn werk goed doet. Hoe meer endorfine, hoe beter de vrouw zich kan ontspannen, hoe beter de ontsluiting zal verlopen. Bewaak dit proces. Vooral aan het begin van de ontsluiting zal elke interventie haar uit dit proces halen.

Een kindje is bij de geboorte voldragen tussen de 37 en 42 weken. Dit is een ...
A
A therme
B
Prematuur
C
Serotien
D
Postnataal

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heet de draai om de lengteas die het kindje tijdens een normale bevalling maakt?
A
Hamburgerdraai
B
Spildraai
C
Stuitdraai
D
Hoofddraai

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Na het doorknippen van de navelstreng wordt deze bekeken. Hoeveel bloedvaten verwacht je te zien?
A
1
B
2
C
3

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies