04 - uitleg imparfait et passé composé

Bonjour VT31 - mercredi 16 juin
Comment ça va aujourd'hui?
bien? 👍🏼
moyen? 👋🏻
pas bien?👎🏻
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Bonjour VT31 - mercredi 16 juin
Comment ça va aujourd'hui?
bien? 👍🏼
moyen? 👋🏻
pas bien?👎🏻

Slide 1 - Tekstslide

qu'est-ce qu'on va faire?

  1. passé composé & imparfait
  2. toetsanalyse afmaken

Slide 2 - Tekstslide

imparfait

Stap 1 :
Zoek voor het werkwoord dat je nodig hebt de stam voor de imparfait :
-> Neem de présent-vorm van nous van het werkwoord
-> Doe er de uitgang -ons af, b.v. , b.v. avons – ons = av + stam
Stap 2 :
Zet de uitgang van de persoon die je nodig hebt erachter


Slide 3 - Tekstslide

De uitgangen zijn
Je                    ais
Tu                     ais
Il/Elle /On       ait
Nous                   ions
Vous                    iez
Ils /Elles                aient

Slide 4 - Tekstslide

Dus bijvoorbeeld voor parler :
Stap 1 : nous parlons – ons = parl  = stam imparfait
Stap 2 : + uitgangen :
Je parlais
Tu parlais
Il/Elle /On parlait
Nous parlions
Vous parliez
Ils /Elles parlaient


Slide 5 - Tekstslide

En bijvoorbeeld voor choisir :
Stap 1 : nous choisissons – ons = choisiss = stam imparfait
Stap 2 : + uitgangen :
Je choisissais
Tu choisissais
Il/Elle /On choisissait
Nous choisissions
Vous choisissiez
Ils /Elles choisissaient


Slide 6 - Tekstslide

wat is de stam van 'jouer' voor de imparfait?

Slide 7 - Open vraag

je hebt de stam gevonden -> jou
vervoeg het nu met de 'elle' vorm

Slide 8 - Open vraag

wat is de stam van 'revenir' voor de imparfait?

Slide 9 - Open vraag

je hebt de stam gevonden -> reven
vervoeg het nu met de 'vous' vorm

Slide 10 - Open vraag

wat is de stam van 'partir' voor de imparfait?

Slide 11 - Open vraag

je hebt de stam gevonden -> part
vervoeg het nu met de 'elles' vorm

Slide 12 - Open vraag

wat is de stam van 'être' voor de imparfait?

Slide 13 - Open vraag

je hebt de stam gevonden -> ét
vervoeg het nu met de 'tu' vorm

Slide 14 - Open vraag

passé composé

Passé composé maak je 
1. met een hulpwerkwoord: de juiste vorm van être of avoir (présent)
2. en een voltooid deelwoord dat je zò maakt:


Slide 15 - Tekstslide

hoe weet je of je être | avoir moet gebruiken?
de wederkerende werkwoorden: se laver | se reveiller | se lever
+
de bewegende werkwoorden: arriver | entrer | partir | sortir
= être

Slide 16 - Tekstslide

wat


zet in de passé composé: je (manger)

Slide 17 - Open vraag

wat


zet in de passé composé: tu (partir)

Slide 18 - Open vraag

wat


zet in de passé composé: elle (vendre)

Slide 19 - Open vraag

wat


zet in de passé composé: nous (être)

Slide 20 - Open vraag

wat


zet in de passé composé: vous (avoir)

Slide 21 - Open vraag

wat


zet in de passé composé: ils (prendre)

Slide 22 - Open vraag