8/6 2h Overtuigende tekst schrijven H4

dinsdag 8/6 2h
  • toets schrijven betoog:  donderdag 10 juni (kladversie) en vrijdag 11 juni (netversie) op papier met de hand geschreven in twee lesuren
  • herhalen theorie betoog
  • bekijken feedback op de ELO oefenbetoog  en/of zelf je betoog nakijken met beoordelingsformulier (zie uitleg betoog ELO, laatste pagina)
  • maken opdracht ELO slecht betoog en aanpassen
  • toets grammatica bespreken
  • start ballondebat
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 16 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

dinsdag 8/6 2h
  • toets schrijven betoog:  donderdag 10 juni (kladversie) en vrijdag 11 juni (netversie) op papier met de hand geschreven in twee lesuren
  • herhalen theorie betoog
  • bekijken feedback op de ELO oefenbetoog  en/of zelf je betoog nakijken met beoordelingsformulier (zie uitleg betoog ELO, laatste pagina)
  • maken opdracht ELO slecht betoog en aanpassen
  • toets grammatica bespreken
  • start ballondebat

Slide 1 - Tekstslide

H4: Een overtuigende tekst (betoog) schrijven

Slide 2 - Tekstslide

inleiding
In de inleiding laat je de lezer kennismaken met het onderwerp. Je kunt de inleiding beginnen met een voorbeeld, een anekdote, vanuit de geschiedenis of met een actualiteit.
De laatste zin van de inleiding is je standpunt. Je neemt het standpunt letterlijk over of je begint met 'Ik vind dat....'.
Je gebruikt geen signaalwoord als 'dus', 'daarom' of 'kortom'. In je inleiding mag je geen argumenten gebruiken.

Slide 3 - Tekstslide

Standpunt en argumenten
In een overtuigende tekst verdedig je je standpunt. (= of letterlijk de stelling overgenomen of 'ik vind... 'en dan de stelling) Voor dat standpunt geef je goede argumenten. Je schrijft een argument per alinea. 

Slide 4 - Tekstslide

middenstuk
Het middenstuk bestaat dus uit drie alinea's. Tussen de alinea's sla je een regel over.
Een alinea bestaat uit een signaalwoord voor opsomming (bv. ten eerste, allereerst, ook, bovendien, enz.) en dan volgt het argument. In de rest van de alinea leg je je argument uit en ondersteun je het evt. met een voorbeeld. (AUB-methode)

Slide 5 - Tekstslide

slot
Het slot begin met met een signaalwoord voor een samenvattend of concluderend verband. (kortom, dus, samenvattend, concluderend) Je herhaalt de stelling en kort de drie argumenten. Die herhaal je in aparte zinnen, dus niet opgesomd. Je bedenkt een mooie slotzin. Pas op: deze mag niet activerend zijn. 

Slide 6 - Tekstslide

Kernzin betoog
De eerste zin van alinea 2 t/m 4 is de kernzin. Een kernzin bestaat altijd uit een signaalwoord (hier: voor een opsommend verband), dan volgt de persoonsvorm en dan het  argument. In de overige zinnen volgt de toelichting.

Slide 7 - Tekstslide

Algemene regels betoog
  • je spreekt de lezer niet aan
  • je gebruikt niet te veel 'je' (alleen als 'men' bedoeld)
  • je maakt goedlopende zinnen die niet met een voegwoord beginnen (zoals: maar, en, omdat, want, dat, enz.)
  • getallen onder de 20 schrijf je voluit
  • je gebruikt geen afkortingen

Slide 8 - Tekstslide

Het ballondebat
Stel je voor, je zit met z’n vijven in een luchtballon die op het punt staat neer te storten. Alle spullen die gemist kunnen worden zijn al over boord gegooid: tassen, drinken, eten etc., maar dit is niet voldoende.
Er zit niets anders op, vier ballonvaarders zullen uit de ballon moeten springen. Eén iemand kan dus maar in de ballon blijven en overleven. Maar wie?

Slide 9 - Tekstslide

Voorbereiding en beargumenteren
* Schrijf je naam en het personage dat je wilt spelen op het briefje. Doe het briefje in het emmertje.
* Iedereen krijgt nu vijf minuten om argumenten te verzinnen waarom de wereld niet zonder zijn/haar personage kan. Gebruik het AUB-model.
* De docent pakt vijf briefjes uit het emmertje en de vijf personen komen voor de klas staan.
* Deze vijf personen krijgen allemaal één minuut om te beargumenteren waarom hij/zij in de ballon moeten blijven.

Slide 10 - Tekstslide

Stemming
Het publiek mag nu stemmen: Iedereen uit het publiek heeft twee stemmen en stemt op de personages die hij/zij uit de ballon wil hebben; iedereen stemt dus op twee verschillende personages! De twee ballonvaarders met de meeste stemmen vallen helaas af, maar ontvangen natuurlijk een heel groot applaus van de klas en de andere ballonvaarders.

Slide 11 - Tekstslide

Ronde 2
De drie overgebleven ballonvaarders krijgen vijf minuten om hun speech voor te bereiden; waarom moeten de ándere personages uit de ballon? Waarom kan de wereld prima zonder hen?
De spreektijd is wederom één minuut per ballonvaarder. In deze ronde moeten de ballonvaarders dus uitleggen waarom de ándere personages uit de ballon zouden moeten.

Slide 12 - Tekstslide

Stemming en nabespreking
Alle toeschouwers krijgen één stem. Met deze stem geven zij aan welk personage het verdient om ín de ballon te blijven en wie de wereld dus niet hoeft te missen.
Wat was de tactiek van de winnaar; hoe dacht hij of zij het publiek voor zich te kunnen winnen? Wat vond het publiek goed aan ronde 2?

Slide 13 - Tekstslide

Opdracht oefenen met kernzin
Kies een van de volgende stellingen. Je kan het er eens of oneens mee zijn. Ben je het oneens, verander dan de stelling in: 'Het is geen goed idee dat...'
Schrijf de kernzinnen bij deze stelling.
1. Leerlingen mogen zelf bepalen of ze een mondkapje dragen op school.
2. Gevangenen zouden een huisdier mogen hebben.

Slide 14 - Tekstslide

Opdracht: oefenen met inleiding
Schrijf de inleiding van je betoog. Let er goed op dat de inleiding geen argument bevat. Hou het algemeen en zakelijk. Leg bv. uit hoe de situatie nu is, geschiedenis of begin met een voorbeeld.

Slide 15 - Tekstslide

oefenen met slot
Schrijf het slot van je betoog.
Het slot bevat:
Signaalwoord voor samenvattend verband/conclusie.
- je standpunt
- de drie argumenten
-slotzin (= niet je standpunt)

Slide 16 - Tekstslide