Pedagogiek H2 Ontwikkelingspsychologie

Planning van vandaag
H2.1 Gezonde ontwikkeling
H2.2 Leeftijdsindeling
H2.3 Lichamelijke ontwikkeling
H2.5 Sociaal-emotionele ontwikkeling

Huiswerk
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
Pedagogisch werkMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Planning van vandaag
H2.1 Gezonde ontwikkeling
H2.2 Leeftijdsindeling
H2.3 Lichamelijke ontwikkeling
H2.5 Sociaal-emotionele ontwikkeling

Huiswerk

Slide 1 - Tekstslide

Pedagogiek - H2 Ontwikkelingspsychologie
H2 Ontwikkelingspsychologie

Slide 2 - Tekstslide

Ontwikkeling

Slide 3 - Woordweb

H2.1 Gezonde ontwikkeling
Ontwikkelen in het groeien naar volwassenheid: 
Lichaam groeit
Je leert nieuwe dingen 

Kinderen zien mogelijkheden om te ontdekken. Het gaat hierbij om interactie tussen mensen en de wereld. 

Het lichaam groeit
 Gezonde ontwikkeling
Het kind leert nieuwe dingen
De ontwikkeling begint met ontdekken
Interactie tussen mensen en de wereld is belangrijk
Afhankelijk van de mogelijkheden
Ontwikkelingsgebieden

Slide 4 - Tekstslide

Lichamelijke ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling
Sociaal-emotionele ontwikkeling
Kennis
Imitatie
Sensomotoriek
Groeien
Cultuur
Motoriek
Denken
Intelligentie
Gevoelens
Creativiteit

Slide 5 - Sleepvraag

Lichamelijke ontwikkeling

Naast dat het lichaam groeit, leert een kind ook dingen.
De motorische ontwikkeling is onderdeel van de lichamelijke ontwikkeling.

De motorische ontwikkeling wordt opgedeeld in de:
Fijne motoriek: Kleine bewegingen zoals kralen rijgen.
Grove motoriek: Grote bewegingen zoals touwtje springen

Slide 6 - Tekstslide

Lichamelijke ontwikkeling
De motorische reactie op zintuiglijke informatie noem je ook sensomotoriek.
 
Baby’s leren door te ruiken, proeven, voelen, horen en zien.

Kinderen experimenteren met verschillende texturen, geluiden, dingen om naar te kijken, geuren en smaken.

Slide 7 - Tekstslide

Sociaal-emotionele ontwikkeling
Een kind leert vooral door anderen na te doen, dat heet imitatie.
Voorbeeld: vadertje en moedertje spelen. 

Kleuters sluiten voor het eerst vriendschappen op basis van aantrekkelijk speelgoed of leuke kleren. In de schoolperiode krijgen kinderen meer zicht in karaktereigenschappen en zoeken ze vrienden die bij hen passen. 

Vaak is er een groepsnorm waar je aan moet voldoen om geaccepteerd te worden (bijvoorbeeld een bepaalde sport). Kinderen vinden het nog lastig vriendschappen te sluiten die echt waardevol zijn, soms is er ook sprake van te veel groepsdruk.


Slide 8 - Tekstslide

Sociaal-emotionele ontwikkeling
Kinderen leren het verschil tussen goed en kwaad
Het gaat bij de morele ontwikkeling om het aanvoelen wat goed of kwaad is en dit laat je als opvoeder zien aan kinderen. 
Kinderen verbinden zich op die manier met normen en waarden.

De kleuterperiode is de belangrijkste periode waarin kinderen hiervoor gevoelig zijn. Gewetensvorming is iets wat gebeurt wanneer een kind jong is. 
Het geweten bestaat uit twee onderdelen:
  • Het kunnen beoordelen wat ‘goed’ en ‘kwaad’ is.
  • De juiste emotionele reacties kunnen laten zien als je iets slechts doet (gevoelens van schuld, schaamte, spijt, mededogen of medelijden).


Slide 9 - Tekstslide

Sociaal-emotionele ontwikkeling
Er zijn verschillende dingen die kinderen moeten oefenen om tot moreel handelen te komen:
 

  • Morele empathie: Je voelt je betrokken bij een ander en kan dat laten zien.
  • Moreel redeneren: Je hebt inzicht in wat goed en kwaad is en je kunt dat vertellen of uitleggen.
  • Morele afweging: Je ziet welke keuzes er zijn in gedrag en je maakt een keuze.
  • Moreel gedrag: Je beslist zelfstandig wat goed is en handelt daarnaar.




Slide 10 - Tekstslide

Wat bedoelen we met het begrip
Levenslooppsychologie?

Slide 11 - Open vraag

Leeftijdsindeling
De namen van deze fasen worden gebruikt door iedereen die met kinderen werkt, zo is het altijd duidelijk over welke leeftijd je het hebt wanneer je bijvoorbeeld over ‘peuters’ spreekt.

Slide 12 - Tekstslide

Hoe oud is een kleuter?
A
2-4 jaar
B
1-2 jaar
C
4-6 jaar
D
6-9 jaar

Slide 13 - Quizvraag

Hoe noemen we kinderen die tussen de 15-18 jaar zijn?
A
Puber
B
Adolescent
C
Jongvolwassene
D
Oud basisschoolkind

Slide 14 - Quizvraag

Hoe oud is een baby?
A
1-2 jaar
B
2-4 jaar
C
6-9 jaar
D
0-1 jaar

Slide 15 - Quizvraag

Hoe noemen we kinderen die tussen de 6-9 jaar zijn?
A
Kleuter
B
Oud basischoolkind
C
Jong basisschoolkind
D
Puber

Slide 16 - Quizvraag

Welke nieuwe dingen heb je geleerd?

Slide 17 - Open vraag

Wat vonden jullie van deze lesvorm?

Slide 18 - Open vraag

Huiswerk
Lezen en maken H2 (tot aan groepsopdrachten)
(H2.4 Cognitieve ontwikkeling hoeft niet!)

Slide 19 - Tekstslide