5.1 licht schaduw en spiegels

5.1  Licht,schaduw  en spiegels
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeNatuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavoLeerjaar 3

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

5.1  Licht,schaduw  en spiegels

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
Je kunt na deze les:
  • beschrijven hoe licht en andere vormen van straling zich verspreiden.
  • uitleggen wat er precies kan gebeuren als licht op een voorwerp valt.
  • het verschil toelichten tussen spiegelende en diffuse terugkaatsing.
  • de schaduw tekenen van een voorwerp dat door een lamp wordt verlicht.
  • uitleggen hoe lichtstralen door een vlakke spiegel worden teruggekaatst.
  • het spiegelbeeld tekenen van een voorwerp dat voor een spiegel staat.
  • tekenen hoe een lichtbundel door een spiegel wordt teruggekaatst.
  • het gezichtsveld tekenen dat iemand via een spiegel kan overzien. (extra stof)

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

1 Op tafel brandt een kaars.
Deze kaars is een:
A diffuse lichtbron.
A
diffuse lichtbron
B
directe lichtbron.
C
geabsorbeerde lichtbron
D
indirecte lichtbron

Slide 20 - Quizvraag

2 Je wilt de schaduw van een voorwerp tekenen.
Waar teken je de schaduw?
A
tussen de hoek van inval en de hoek van terugkaatsing
B
tussen de randstralen
C
tussen het voorwerp en de lichtbron
D
tussen het voorwerp en de normaal

Slide 21 - Quizvraag

3 Een lichtstraal wordt teruggekaatst door een spiegel.
Bij spiegelende terugkaatsing is de hoek van inval:
A
groter dan de hoek van terugkaatsing.
B
even groot als de hoek van terugkaatsing
C
kleiner dan de hoek van terugkaatsing.
D
groter dan de hoek van terugkaatsing, bij hoeken kleiner dan 90°.

Slide 22 - Quizvraag

4 In de spiegel zie je het spiegelbeeld van een voorwerp.
Dit spiegelbeeld is een:
A
diffuus beeld.
B
indirect beeld.
C
normaal beeld.
D
virtueel beeld.

Slide 23 - Quizvraag

5 In een spiegel zie je een deel van de omgeving.
Het gebied dat je in een spiegel ziet, noem je:
A
de dode hoek.
B
het gebied van terugkaatsing.
C
het virtuele veld.
D
het gezichtsveld.

Slide 24 - Quizvraag

6 Om een teruggekaatste lichtstraal te tekenen, moet je een aantal lijnen tekenen.
De lijn die loodrecht op de spiegel staat, noem je:
A
de randstraal.
B
de lichtstraal.
C
de normaal.
D
de spiegelstraal.

Slide 25 - Quizvraag

7 Vul in:
a Een voorwerp dat zelf licht geeft, noem je een .......... lichtbron.
b Een voorwerp dat licht naar je ogen weerkaatst, noem je een ........... lichtbron.

Slide 26 - Open vraag


8 In figuur 1 is getekend hoe een lichtstraal door een spiegel wordt teruggekaatst.
a Hoe heet de stippellijn?
b Hoe heet hoek a?
c Hoe heet hoek b?

Slide 27 - Open vraag

9 Spiegels kaatsen het licht dat erop valt, spiegelend terug.
a Wat is het verschil tussen spiegelende en diffuse terugkaatsing?

Slide 28 - Open vraag

9 Spiegels kaatsen het licht dat erop valt, spiegelend terug.
b Een spiegelbeeld is een virtueel beeld.
Wat betekent ‘virtueel’?

Slide 29 - Open vraag

9 Spiegels kaatsen het licht dat erop valt, spiegelend terug.
c Wat wordt bedoeld met ‘gezichtsveld van een spiegel’?

Slide 30 - Open vraag


10 In figuur 2 zie je een schaduw op de vloer en de wand (de dikke lijn). Deze schaduw
ontstaat, omdat zich achter de man een lamp bevindt.
Waar is de lamp?
A op plaats A                         D op plaats D
B op plaats B                         E op plaats E
C op plaats C  

Slide 31 - Open vraag

11 Jan loopt op een mooie zomerdag langs een muurtje (figuur 3a). De zon schijnt.
De tekenaar heeft één lichtstraal getekend om aan te geven uit welke richting het
zonlicht komt.
a Teken in figuur 3a de schaduw van de muur.

Slide 32 - Open vraag

Slide 33 - Tekstslide

b Kan Jan de hond achter de muur zien?
c Ligt de hond in de schaduw van de muur?

Slide 34 - Open vraag

d ’s Nachts loopt Jan weer langs de muur (figuur 3b). Het enige licht komt nu van een straatlantaarn. De hond ligt er nog steeds.
Teken in figuur 3b de schaduw van de muur.

Slide 35 - Open vraag

Slide 36 - Tekstslide

e Ligt de hond nu in de schaduw?

Slide 37 - Open vraag

12 Bekijk de fietser in figuur 4.
a Is de fietser een directe lichtbron?

Slide 38 - Open vraag

12 Bekijk de fietser in figuur 4.
b Wanneer wordt de fietser een indirecte lichtbron?

Slide 39 - Open vraag

12 Bekijk de fietser in figuur 4.
c Automobilisten kunnen de fietser beter zien, als hij lichte kleding draagt.
Leg uit hoe dat komt.


Slide 40 - Open vraag

12 Bekijk de fietser in figuur 4.
d Wat gebeurt er met licht dat op donkere kleding valt?

Slide 41 - Open vraag

12 Bekijk de fietser in figuur 4.
e Waardoor geven de reflectiestrepen extra veiligheid?

Slide 42 - Open vraag

Leerdoelen gehaald?
Je kunt nu:
  • beschrijven hoe licht en andere vormen van straling zich verspreiden.
  • uitleggen wat er precies kan gebeuren als licht op een voorwerp valt.
  • het verschil toelichten tussen spiegelende en diffuse terugkaatsing.
  • de schaduw tekenen van een voorwerp dat door een lamp wordt verlicht.
  • uitleggen hoe lichtstralen door een vlakke spiegel worden teruggekaatst.
  • het spiegelbeeld tekenen van een voorwerp dat voor een spiegel staat.
  • tekenen hoe een lichtbundel door een spiegel wordt teruggekaatst.
  • het gezichtsveld tekenen dat iemand via een spiegel kan overzien. (extra stof)

Slide 43 - Tekstslide