Les 3 maart

Vandaag
Opwarmer 
Bespreken Tekst 2 hoofdstuk 3 blz. 48-50
argumentatie
Literatuur: vertelperspectieven




1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsEnseignement Secondaire

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vandaag
Opwarmer 
Bespreken Tekst 2 hoofdstuk 3 blz. 48-50
argumentatie
Literatuur: vertelperspectieven




Slide 1 - Tekstslide

Opwarmer
https://stories.nos.nl/video/2604670-waarom-19-miljard-naar-oorlog-en-niet-naar-armoede




Slide 2 - Tekstslide

Argumentatiestructuren

Slide 3 - Tekstslide

Argumentatiestructuur

Slide 4 - Tekstslide

Welke argumentatiestructuur?
A
Enkelvoudige argumentatie
B
Onderschikkende argumentatie
C
Nevenschikkende argumentatie met afhankelijke argumenten
D
Nevenschikkende argumentatie met onafhankelijke argumenten

Slide 5 - Quizvraag

Hoe heet deze argumentatiestructuur?
A
Enkelvoudige argumentatie
B
Onderschikkende argumentatie
C
nevenschikkende argumentatie met onafhankelijk argument
D
Nevenschikkende argumentatie met afhankelijk argument.

Slide 6 - Quizvraag

Kies de juiste argumentatiestructuur.
Leerlingen moeten op school hun huiswerk onder begeleiding kunnen maken. Leerlingen zullen dan hogere cijfers halen.
A
enkelvoudige argumentatie
B
onderschikkende argumentatie
C
nevenschikkende argumentatie (onafhankelijk)
D
nevenschikkende argumentatie (afhankelijk)

Slide 7 - Quizvraag


Welke argumentatiestructuur 
A
nevenschikkend - onafhankelijk
B
nevenschikkend - afhankelijk
C
onderschikkend
D
onder- en nevenschikkend

Slide 8 - Quizvraag

Kies de juiste argumentatiestructuur.
Zij is de juiste persoon voor die baan, want zij heeft ruime ervaring in de branche en zij voldoet aan alle opleidingseisen.
A
enkelvoudig
B
nevenschikkend afhankelijk
C
onderschikkend
D
nevenschikkend onafhankelijk

Slide 9 - Quizvraag

Het openbaar vervoer moet goedkoper worden. Hierdoor zullen de files afnemen. Bovendien is het beter voor het milieu. Welke argumentatiestructuur herken je?
A
Enkelvoudige argumentatie
B
Onafhankelijke nevenschikkende argumentatie
C
Onderschikkende argumentatie
D
Afhankelijke nevenschikkende argumentatie

Slide 10 - Quizvraag

'Je kunt wel zien dat Joris' ouders veel geld verdienen: hun huis in Nederland staat vol met designmeubelen en ze hebben ook nog een chalet in Zwitserland' Welke argumentatiestructuur herken je?
A
Onderschikkende argumentatie
B
Onafhankelijke nevenschikkende argumentatie
C
Afhankelijke nevenschikkende argumentatie
D
Enkelvoudige argumentatie

Slide 11 - Quizvraag

Welke argumentatiestructuur?
A
Enkelvoudige argumentatie
B
Onderschikkende argumentatie
C
Nevenschikkende argumentatie

Slide 12 - Quizvraag

standpunt - argument
Je kunt het standpunt onderscheiden van argumenten met de want/dus-proef: 

(standpunt), want (argument)
 Ik stop ermee, want ik heb genoeg gewerkt vandaag.

(argument), dus (standpunt)
 Ik heb genoeg gewerkt vandaag, dus ik stop ermee.


Slide 13 - Tekstslide

De film is blijkbaar afgelopen, 
de bioscoop is al leeggestroomd.
ARGUMENT 
STANDPUNT

Slide 14 - Sleepvraag

Er ligt een dun laagje ijs op de gracht. 
Het vriest kennelijk.
ARGUMENT 
STANDPUNT

Slide 15 - Sleepvraag

Het financieringstekort is nauwelijks kleiner geworden:
het kabinetsbeleid is mislukt!

ARGUMENT 
STANDPUNT

Slide 16 - Sleepvraag

Hij heeft dit jaar met het tweede elftal grote verliezen geleden. 
Volgens mij wordt hij geen hoofdtrainer.

ARGUMENT 
STANDPUNT

Slide 17 - Sleepvraag

Je mag doorrijden,
het licht staat op groen.
ARGUMENT 
STANDPUNT

Slide 18 - Sleepvraag

Motorrijden is ongevaarlijk.
Er gebeuren meer ongelukken met auto’s dan met motoren.

ARGUMENT 
STANDPUNT

Slide 19 - Sleepvraag

Ze komen zo down het café uit: 
het feest zal hen wel tegengevallen zijn.

ARGUMENT 
STANDPUNT

Slide 20 - Sleepvraag

Vooruitblik naar volgende week...
Het verschil tussen feitelijk en waarderende argumentatie.

Slide 21 - Tekstslide

Stop de hobbyjacht. Het is toch ontoelaatbaar dat jaarlijks ruim één miljoen dieren doodgeschoten wordt voor de lol van een kleine groep jagers.
Welk type argumentatie is dit?
A
feitelijke argumentatie
B
waarderende argumentatie

Slide 22 - Quizvraag

Ik ga graag mee naar Parijs , want Parijs heeft de mooiste musea van de hele wereld.
A
Feitelijke argumentatie
B
Waarderende argumentatie

Slide 23 - Quizvraag

Lees elke dag 10 minuten, want dan scoor je bovengemiddeld goed op je proefwerk Nederlands
A
Feitelijke argumentatie
B
Waarderende argumentatie

Slide 24 - Quizvraag

Vertelperspectief
1. Ik-verteller
                 - Belevende ik = neemt zelf deel aan de gebeurtenissen en is dus een personage in het                        verhaal (subjectief, onbetrouwbaar perspectief).
                 - Vertellende ik = vertelt over de gebeurtenissen en personages.
2. Hij/zij-verteller of personale verteller = deze verteller is niet merkbaar aanwezig en laat andere personages aan het woord, enkel- of meervoudig perspectief.
3. Alwetende of auctoriale verteller = deze verteller staat als het ware boven het verhaal en heeft inzicht in alle personages, in het heden, in het verleden en de toekomst, de auctoriale verteller kan expliciet aanwezig zijn of afwezig (neutraal perspectief).

Slide 25 - Tekstslide

Wisselend perspectief
Het perspectief kan ook wisselen in een verhaal tussen meerdere ik-vertellers of meerdere hij/zij-vertellers.
Dat noem je dan dus een wisselend perspectief
Vaak wisselt het perspectief dan per hoofdstuk of na een witregel. 

Slide 26 - Tekstslide

Van welk perspectief
is hier sprake?
A
ik-verteller
B
personale verteller
C
auctoriale verteller
D
wisselend perspectief

Slide 27 - Quizvraag

Van welk perspectief
is hier sprake?
A
ik-verteller
B
personale verteller
C
auctoriale verteller
D
wisselend perspectief

Slide 28 - Quizvraag

Slide 29 - Tekstslide

Van welk perspectief is hier sprake?
A
belevende ik
B
vertellende ik
C
hij/zij-verteller of personale verteller
D
alwetende of auctoriale verteller

Slide 30 - Quizvraag

Slide 31 - Tekstslide

Van welk perspectief is hier sprake?
A
belevende ik
B
vertellende ik
C
hij/zij-verteller of personale verteller
D
alwetende of auctoriale verteller

Slide 32 - Quizvraag

Slide 33 - Tekstslide

Van welk perspectief is hier sprake?
A
belevende ik
B
vertellende ik
C
hij/zij-verteller of personale verteller
D
alwetende of auctoriale verteller

Slide 34 - Quizvraag

Slide 35 - Tekstslide

Van welk perspectief is hier sprake?
A
belevende ik
B
vertellende ik
C
hij/zij-verteller of personale verteller
D
alwetende of auctoriale verteller

Slide 36 - Quizvraag

Slide 37 - Tekstslide

Van welk perspectief is hier sprake?
A
belevende ik
B
vertellende ik
C
hij/zij-verteller of personale verteller
D
alwetende of auctoriale verteller

Slide 38 - Quizvraag

Van welk perspectief
is hier sprake?
A
ik-verteller
B
personale verteller
C
auctoriale verteller
D
wisselend perspectief

Slide 39 - Quizvraag

Lees het fragment. Vanuit
wie wordt het verhaal verteld?
Wat is hier bijzonder aan?

Slide 40 - Open vraag

Les 3 maart

Slide 41 - Tekstslide