tags

Good afternoon!

How are you doing?
I am fine, I am sleepy, I am happy, I am tired.
I am so glad you are here today.
What date is it today? Today is.........
What day is it today? Today is.....
It is a nice day, isn't it?
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Good afternoon!

How are you doing?
I am fine, I am sleepy, I am happy, I am tired.
I am so glad you are here today.
What date is it today? Today is.........
What day is it today? Today is.....
It is a nice day, isn't it?

Slide 1 - Tekstslide

oefenen met tags
on paper

Slide 2 - Tekstslide

Unit 3 Money
Wij gaan beginnen met Unit 3 Lesson 1 Winning the lottery.
1.Je krijgt instructie over het nieuwe grammatica onderdeel-tags.
2. Oefeningen maken(tags) -lessonup en uit het WB
3. Zelfstandig een tekst "Winning the lottery" lezen en bijhorende opdrachten maken uit het WB
4. HW

Slide 3 - Tekstslide

Wat gaan wij doen?
What are we going to do?
Instructie
Grammar -tags :

Quizvragen
CB p.93 3.1
WB p.88 ex.6a,b. 

Wat gaan wij doen?
What are we going to do?
Zelfstandig
Unit 3 Lesson 1 Winning the lottery:

WB p.86,87 ex.1a; 2a,b; 3,4,5
CB p.30,31

1
2

Slide 4 - Tekstslide

Vocab 3.1

Slide 5 - Tekstslide

Tag Questions
Aangeplakte vragen
This is the best lesson, isn't it?

 een korte vraag die je achter een zin plakt.
- daarmee vraag je of iets wat je zegt klopt
- in het Nederlands gebruik je dan: toch? he? Is het niet? of wel?
Het is de beste les, of niet?

Slide 6 - Tekstslide

Tag question
-
Gebruik:           Je gebruikt 'tags' om bevestiging te vragen.
Vorm:            (hulp)werkwoord + persoonlijk voornaamwoord
Zin bevestigend (+)                              Tag ontkennend (–)
Zin ontkennend (–)                              Tag bevestigend (+)

Slide 7 - Tekstslide

Regels tag questions
Als de hoofdzin positief is, dan is de aangeplakte vraag negatief.

You are really hungry, aren't you?
The Queen is very famous, isn't she?


Slide 8 - Tekstslide

Regels tag questions
Als de hoofdzin negatief is, dan is de aangeplakte vraag positief.

You aren't a mean person, are you?
She is not a morning person, is she ?



Slide 9 - Tekstslide

Let op!
als in de hoofdzin een naam staat, dan gebruik je een persoonlijk voornaamwoord in de aangeplakte vraag.

Susan is your sister, isn't she?
Peter and Jane are not good friends, are they?

Slide 10 - Tekstslide

Wat zijn 'tags'?
  •  'Tags' zijn korte vraagjes die je aan een zin                      vastplakt (Hè? / Niet waar? / Toch?).

  • Gebruik: Je gebruikt 'tags' om bevestiging te vragen.

  • Vorm: (hulp)werkwoord + persoonlijk voornaamwoord
  • Zin bevestigend (+)?         Tag ontkennend (–)!
  • Zin ontkennend (–)?          Tag bevestigend (+)!

Slide 11 - Tekstslide

Tags: Stappenplan (+)
Mister Sebel is amazing.
  • > Wat is het (hulp)werkwoord?
  • > is
  • > Bevestigend of ontkennend?
  • > Bevestigend, dus tag moet ontkennend zijn       'isn't'
  • > Wat is het onderwerp?
  • > Mister Sebel
  • > Waar kun je dat mee vervangen (I, you, he, she, it, we, you, they)? 
  • > Mister Sebel is een man       'he'
  • > Tag       isn't he?
am,is,are,was were,can,could,will, would,must

Slide 12 - Tekstslide

Tags: Stappenplan (-)
Peter and Jack couldn't hear you.
  • > Wat is het (hulp)werkwoord?(am,is,are,was,were,will,must,can,..)
  • > couldn't
  • > Bevestigend of ontkennend?
  • > Ontkennend, dus tag moet bevestigend zijn        'could'
  • > Wat is het onderwerp?
  • > Peter and Jack
  • > Waar kun je dat mee vervangen (I, you, he, she, it, we, you, they)? 
  • > Peter en Jack zijn twee personen       'they'
  • > Tag       could they?
am,is,are,was were,can,could,will, would,must

Slide 13 - Tekstslide

Tags: Let op 
  • Achter hulpwerkwoorden kun je n't zetten
  • Geen hulpwerkwoord in de zin?       Vorm van do!
  • Mister Sebel works very hard.
  • works is geen hulpwerkwoord       
  • Vorm van do       does
  • Zin bevestigend       tag ontkennend       doesn't
  • Mister Sebel      he
  • Tag      doesn't he?

Do, does
did

Slide 14 - Tekstslide

maak jouw eigen zin, volg een Stappenplan+/- hww/do
You are happy,.............?
Tim is happy,..............?
My dog can jump very high,..........................?
My cat can't jump high,...........................?
I am happy, aren't I?

Slide 15 - Tekstslide

Tag questions:
She is very pretty, ......?
A
is she
B
she is
C
isn't she
D
she isn't

Slide 16 - Quizvraag

Kies de juiste 'question tag':
He doesn't like ice cream, ......
A
does he?
B
isn't he?
C
likes he?
D
doesn't he?

Slide 17 - Quizvraag

TAG QUESTIONS:
Als de zin bevestigend (+) is, dan is de tag question....
A
ook bevestigend (+)
B
ontkennend (-)

Slide 18 - Quizvraag

TAG QUESTIONS:
Als de zin ontkennend (-) is, dan is de tag question....
A
bevestigend (+)
B
ontkennend (-)

Slide 19 - Quizvraag

She looks terrible,
A
does she?
B
C
D
doesn't she?

Slide 20 - Quizvraag

You won't come,
A
won't you?
B
don't you?
C
do you?
D
will you?

Slide 21 - Quizvraag

She is collecting stickers,

Slide 22 - Open vraag

You are tired,
A
aren't you?
B
are you?
C
don't you?
D
do you?

Slide 23 - Quizvraag

We often watch TV in the afternoon,

Slide 24 - Open vraag

Kies de juiste 'question tag':
We aren't always late, ......
A
are we?
B
aren't we?
C
isn't it?
D
do we?

Slide 25 - Quizvraag

Kies de juiste 'question tag'?
My friends like eating pizza, ......
A
liken't they?
B
don't my friends?
C
aren't they?
D
don't they?

Slide 26 - Quizvraag

John is not happy to see his father,
A
is he?
B
isn't he?

Slide 27 - Quizvraag

I am a fast runner
A
am I?
B
aren't I?

Slide 28 - Quizvraag

Maak af:
Sarah isn't very sweet,

Slide 29 - Open vraag

Maak af:
My parents are always talking,

Slide 30 - Open vraag

He is not in New York this week,
A
is he?
B
isn't he?

Slide 31 - Quizvraag

Thom is very smart,
A
isn't he?
B
is he?

Slide 32 - Quizvraag

My mother is always on time,
A
is she?
B
isn't she?

Slide 33 - Quizvraag

Slide 34 - Link

Slide 35 - Link

Slide 36 - Link

Opdrachten uit het WB:
tip: gebruik Vocabulary uit het CB p.96 les. 1 
p.86 ex.1a
       p.86 ex.2a,b.
p.87 ex.3
p.87 ex.4 
 p.87 ex.5   
Opdrachten uit het CB:
Grammar p.93 3.1 -to read (lezen)
Vocabulary p.96 les. 1- to learn by heart (leren)

Slide 37 - Tekstslide

Bezittelijke voornaamwoorden

Slide 38 - Tekstslide

persoonlijke voornaamwoorden
  • Ik-I
  • Jij/je/u-You
  • Hij- he
  • Zij-she
  • Het-it
  • Wij-we
  • Jullie/u-you
  • Zij -they
bezittelijke voornaamwoorden
  • mijn- my
  • jouw/uw- your
  • zijn- his
  • haar- her

  • onze/ons- our
  • jullie/uw- your
  • hun-their

Slide 39 - Tekstslide

Bezittelijke voornaamwoorden

Slide 40 - Tekstslide

Bezittelijke voornaamwoorden

Slide 41 - Tekstslide

Even snel herhalen!
I
my
mine
you
your
yours
he/she/it
his/her/its
hers/his
we
our
ours
you
your
yours
they
their
theirs

Slide 42 - Tekstslide

WB p.89 ex.7
CB p.93  3.1

Slide 43 - Tekstslide

Aangeplakte vragen gebruik je om bevestiging te vragen. 
Bij een aangeplakte vraag in het Engels wordt
  het onderwerp en het werkwoord herhaald
Oftewel om wie het gaat en waarover.
Het onderwerp moet je veranderen naar een persoonlijke voornaamwoord, zoals: I, he, she, it, we, they en you.
herhaling

Slide 44 - Tekstslide

Hoe maak ik deze?
* Als er een vorm van to be in de zin staat –  Are, Is, Was, Were 
of een hulpwerkwoord Can, Could, Will, Would, Must 
dan herhaal je die vorm (+/-) in de aangeplakte vraag
-You are tired, aren’t you?
-Tom was doing great, wasn’t he? 
-You can swim, can't you?
-Ann must go, mustn't she?
-Daddy will come, won’t he? 
herhaling

Slide 45 - Tekstslide

Zonder hulpwerkwoord?
gebruik dan "dummy-do"
Bij bijna alle andere werkwoorden in bevestigende zinnen gebruik je de juiste vorm van 
to do:  do/don’t, does/ doesn’t of did/didn’t in de aangeplakte vraag:
  • She looks terrible,
  •  She looks terrible, doesn’t she?
  • She doesn’t look terrible,
  •  She doesn’t look terrible, does she?
  • Tom played the piano yesterday,
  • Tom played the piano yesterday, didn't he?
  • My parents want to buy a present, 
  • My parents want to buy a present, don't they?
  • My parents don't want to buy a present, do they?

herhaling

Slide 46 - Tekstslide