Middelen bij neurologische aandoeningen H 12.2

1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides en 7 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video


Epilepsie
Epilepsie is een tijdelijke functiestoornis in de hersenen, waarbij hersencellen zich plotseling en ongecontroleerd ontladen. Pas als iemand bij herhaling dergelijke aanvallen heeft, is er sprake van epilepsie. 

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Epilepsie kan worden ingedeeld op grond van verschijnselen en de uitgebreidheid van de prikkels.

Zie tabel 12.1. 

Slide 7 - Tekstslide

Gegeneraliseerde epilepsie
Aanvallen waarbij de hele hersenen betrokken zijn.
Tonisch-clonische aanval  (kramp en schokken)
  • Grand mal > grote aanval 
  • Hele lichaam reageert, buiten bewustzijn 
  • Tong bijten, urine verliezen 

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Absence
  • Petit mal > kleine aanval 
   Duurt enkele seconden tot halve minuut

  • Verlies bewustzijn 
  • Wegdraaien van de ogen, staren 
  • Kleine schokjes 

   Kinderen, en mensen met een verstandelijke beperking 

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Slide 12 - Video

Partiële epilepsie
  • Aanvallen die uit een deel van de hersenen voortkomen 
  • Geleidelijk, enkele minuten 
  • Staren 
  • Smakken, slikken, kauwen 
  • Bleek 
  • Automatismen  

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

Slide 15 - Video

Moet een stabiele concentratie ontstaan, door evenwicht tussen inname van het middel en de afbraak door de lever. Bij niet goed werken; toepassen van een nieuw middel met weer maanden wachttijd of het aanslaat. 

Slide 16 - Tekstslide

Lange tijd geen aanvallen...
Kunnen soms de middelen worden afgebouwd. 
Dit gebeurt vaker bij partiele epilepsie dan bij gegeneraliseerde vormen van epilepsie. 

Ineens stoppen met medicatie is gevaarlijk. Het risico op nieuwe aanvallen is dan groot. 

Slide 17 - Tekstslide

Anti- epileptica
2 groepen:

1: middelen om aanvallen te voorkomen

2: middelen om een aanval te stoppen (couperen)

Slide 18 - Tekstslide

succinimide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Hoofdstuk 12 middelen bij neurologische aandoeningen

1. Welke neurotransmitters spelen een rol bij de ziekte van Parkinson?
2. Leg uit waarom dopamine in een bewerkte vorm toegediend moet worden.
3. Wat zijn de bijzonderheden en interacties van levodopa?
4. Wat zijn de bijwerkingen van levodopa?
5. Welke twee verschijnselen kunnen optreden na jarenlang gebruik van levodopa?
6. Wat zijn de bijwerkingen van de groep bromocriptine en ropinirol?
7. Wanneer wordt apomorfine vooral gebruikt?
8. Waarom komt epilepsie vaak voor bij mensen met een verstandelijke beperking?
9. Waarom is het gebruik van anti-epileptica vaak voor de rest van je leven?
10. Welke twee middelen worden genoemd in het boek die de lever stimuleren om meer afbraakenzymen te maken, waardoor bijvoorbeeld de pil en anticoagulantia minder goed werken?
11. In welke twee groepen kun je anti-epileptica onderverdelen?
12. Op welke drie gebieden/onderwerpen heeft anti-epileptica ook invloed?
13. Hoe worden middelen om epileptische aanvallen te couperen genoemd en welke drie stofnamen horen hierbij?
14. Wat is de bijwerking van deze middelen?


Slide 23 - Tekstslide

Toetsdoelen uitdelen.

Slide 24 - Tekstslide