Engels grammatica

Grammatica Engels
Will, shall, to be going to, present simple
1 / 11
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

Grammatica Engels
Will, shall, to be going to, present simple

Slide 1 - Tekstslide

Wanneer gebruik je shall?
A
Bij WE en THEY in een normale zin.
B
Bij ARE en IS in een vraagzin.
C
Bij I en WE in een vraagzin.
D
Bij I en WE in een normale zin.

Slide 2 - Quizvraag

Wat gebruik je als iemand iets van plan is?
A
To be going to
B
Will + hele werkwoord
C
Shall
D
Heel werkwoord

Slide 3 - Quizvraag

It ... rain tomorrow
A
Wan't
B
Shall
C
Are
D
Will

Slide 4 - Quizvraag

Hoe kort je ‘he will’ af?
A
He wan't
B
He won't
C
He'll
D
He'il

Slide 5 - Quizvraag

Vul in: I ... not work
A
Shall
B
Will
C
Won't
D
Am going to

Slide 6 - Quizvraag

... I come with you then?
A
Will
B
To be going to
C
‘ll
D
Shall

Slide 7 - Quizvraag

He ... be working that week.
A
Will
B
Shall
C
'll
D
are

Slide 8 - Quizvraag

I ... him a postcard right now.
A
Shall send
B
Am send
C
Will send
D
Am going to send

Slide 9 - Quizvraag

I...... to buy new clothes this afternoon.
A
Shall to
B
Am going
C
Wont
D
Will

Slide 10 - Quizvraag

He.... to exercise later this day.
A
Is going to
B
Shall
C
Will
D
Would

Slide 11 - Quizvraag