Wat is LessonUp
Zoeken
Kanalen
aiToolsTab
Inloggen
Registreren
‹
Terug naar zoeken
Sales toetsterm 1.1 t/m 5.4
Televisie is een vorm van
A
groepscommunicatie
B
massacommunicatie
C
interne communicatie
D
non-verbale communicatie
1 / 72
volgende
Slide 1:
Quizvraag
sales
MBO
Studiejaar 2,3
In deze les zitten
72 slides
, met
interactieve quizzen
en
tekstslides
.
Start les
Bewaar
Deel
Printen
Onderdelen in deze les
Televisie is een vorm van
A
groepscommunicatie
B
massacommunicatie
C
interne communicatie
D
non-verbale communicatie
Slide 1 - Quizvraag
cognitieve dissonantie is een vorm van
A
massacommunicatie
B
interpersoonlijke communicatie
C
interne communicatie
D
intrapersoonlijke communicatie
Slide 2 - Quizvraag
Relatiefase
Voorbereidingsfase
Openingsfase
Informatiefase
Transformatiefase
Afsluitfase
Slide 3 - Sleepvraag
Hoe heet het wanneer adverteert op een App?
A
affiliate marketing
B
appvertising
C
webvertising
D
zoekmachine adverteren
Slide 4 - Quizvraag
De volgorde van het Adoptieproces is:
Innovators - early adopters - early majority -late majority - laggards
A
Juist
B
Onjuist
Slide 5 - Quizvraag
Waar moet je wat aan doen als je beter gevonden wilt worden op Google?
A
affiliate marketing
B
linkbuilding
C
webvertising
D
zoekmachine adverteren (SEA)
Slide 6 - Quizvraag
Wat is de customer life time value van een klant?
A
de tijd dat de klant blijft hangen
B
de indeling van klanten in een categorie
C
de waarde van een klant voor het bedrijf
D
hoe vaak klanten terugkomen
Slide 7 - Quizvraag
A
productgericht
B
geografisch
C
afnemersgericht
D
marktgericht
Slide 8 - Quizvraag
Hoeveel wettelijke bedenktijd heeft een consument als hij online kleding koopt?
A
8
B
10
C
14
D
16
Slide 9 - Quizvraag
A
afnemersgericht
B
geografisch
C
productgericht
D
functionele indeling
Slide 10 - Quizvraag
Wat is communicatiegedrag?
A
manier waarop consument info krijgt en verwerkt van product
B
wat consument doet wanneer ze aankoop overweegt
C
gedrag dat te maken heeft met manier waarop klant product gebruikt
D
manier waarop een klant stopt met het gebruiken van een gekocht product
Slide 11 - Quizvraag
Franco
Rembours
Ex Works
Free On Board
alle transportkosten zijn voor de leverancier
alle transportkosten zijn voor de koper
alle transportkosten zijn totdat alles aan boord is voor de verkoper
de afnemer betaalt de factuur bij levering
Slide 12 - Sleepvraag
Wat is actiekorting?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 13 - Quizvraag
Wat is omzetbonus?
A
korting op de prijs door een bepaald jaargetijde
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting doordat een product zo vaak wordt gekocht
D
korting voor een vaste klant
Slide 14 - Quizvraag
wat betekent de winstmarge?
A
percentage over de prijs wat je aan winst maakt
B
percentage over de bedrijfskosten wat je aan winst maakt
C
nettowinst+brutowinst
D
inkoopprijs x afzet
Slide 15 - Quizvraag
Wat is een target?
A
een terugblik of je je doel hebt behaald
B
een concreet doel voor de korte termijn
C
hoeveel acquisitie-belletjes je per week uitvoert
D
een concreet doel waar je over 10 jaar staat met het bedrijf
Slide 16 - Quizvraag
Wat is een kwantumkorting?
A
korting bij het plaatsen van grote orders
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 17 - Quizvraag
Waar staat CRM voor?
A
Customer Relationship Marketing
B
Customer Relationship Management
C
Consument Relationship Media
D
Consument Relationship Marketing
Slide 18 - Quizvraag
Wat is een rabatkorting?
A
korting bij het plaatsen van grote orders
B
standaardkorting die een handelaar krijgt
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 19 - Quizvraag
Wat is het doel van Stichting Reclame Code?
A
de ethiek van advertenties bewaken
B
informatie over personen veiligstellen en waarborgen
C
toezicht houden op de mededinging en telecommunicatie
Slide 20 - Quizvraag
Wat doet DDMA gedragscode?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 21 - Quizvraag
Wat is een ander woord voor receptieve verkoop?
A
actieve verkoop
B
passieve verkoop
C
directe acquisitie
D
indirecte acquistie
Slide 22 - Quizvraag
Wat doet Creative Commons?
A
ontvangen meldingen van datalek
B
je behoudt je rechten, maar geeft aan anderen toestemming voor gebruik
C
geeft advies over je rechten als consument
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 23 - Quizvraag
Wat betekent opt-in?
A
ontvangen meldingen van datalek
B
je moet aangeven als je iets wilt ontvangen, bijv. nieuwsbrief
C
geeft advies over je rechten als consument
D
je hoeft niet aan te geven als je iets wilt ontvangen, maar je meldt je juist af
Slide 24 - Quizvraag
Waar is een billboard langs de kant van de weg een voorbeeld van?
A
actieve en persoonlijke verkoop
B
actieve en niet-persoonlijke verkoop
C
receptieve verkoop en indirecte acquisitie
D
niet-persoonlijke verkoop en en directe acquisitie
Slide 25 - Quizvraag
van welk soort kosten zijn grondstofkosten een voorbeeld?
A
vaste kosten
B
directe kosten
C
indirecte kosten
D
geen van deze
Slide 26 - Quizvraag
Welk koopgedrag heeft het langste aankoopproces?
A
New task
B
Modified rebuy
C
Straight rebuy
Slide 27 - Quizvraag
van welke soort kosten zijn telefoonkosten een voorbeeld?
A
indirecte kosten
B
directe kosten
C
variabele kosten
D
geen van deze
Slide 28 - Quizvraag
van welk soort kosten zijn verzendkosten een voorbeeld?
A
vaste kosten
B
variabele kosten
C
indirecte kosten
D
geen van deze
Slide 29 - Quizvraag
Wat is conversieverhouding?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 30 - Quizvraag
Wat is responspercentage?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 31 - Quizvraag
Wat is offertescoringsratio?
A
2 offertes nodig voordat klant tot aankoop overgaat
B
5 van de 20 klanten hebben de enquête ingevuld
C
4 van de 12 prospects zijn naar de website gegaan
D
3 van 10 producten zijn teruggeroepen door schade
Slide 32 - Quizvraag
Cognitieve dissonantie heb je eerder bij low involvement producten dan bij high involvement producten
A
Eens
B
Oneens
Slide 33 - Quizvraag
Zender
Ontvanger
Encoderen
Decoderen
Medium
Slide 34 - Sleepvraag
AIDA staat voor:
A
awsome; interest, desire;action
B
attention; interest; desire en awesome
C
attention; interest; desire en action
D
always, is, defenitly, always
Slide 35 - Quizvraag
Een gesprek met 2 of meer personen heet
A
massacommunicatie
B
interpersoonlijke communicatie
C
interne communicatie
D
intrapersoonlijke communicatie
Slide 36 - Quizvraag
'Jo whats up' is een voorbeeld van
A
formele communicatie
B
informele communicatie
Slide 37 - Quizvraag
Hoe heet het wanneer je jouw link op een website plaatst?
A
affiliate marketing
B
linkbuilding
C
e-mailmarketing
D
zoekmachine adverteren
Slide 38 - Quizvraag
Het VOCATIO-model is uitgebreider dan het VOITA-model
A
waar
B
niet waar
Slide 39 - Quizvraag
Slide 40 - Tekstslide
wat is encoderen?
A
boodschap uitpakken
B
boodschappen verpakken/sturen
C
communiceren in codetaal
D
boodschap ontvangen
Slide 41 - Quizvraag
klantretentie is
A
hoe nieuw de klant is
B
de mate van klant tevredenheid
C
hoe goed de review van de klant is
D
hoe vaak je een klant weet te behouden of hoe vaak deze terugkomt
Slide 42 - Quizvraag
Wat is een lead?
A
een suspect
B
iemand die interesse heeft getoond in jouw producten
C
vaste klant
D
klant die zich heeft ingeschreven voor de nieuwsbrief
Slide 43 - Quizvraag
Wat is een suspect?
A
iemand waarvan je vermoed dat die wel klant wil worden
B
consument die interesse heeft getoond in jouw product
C
potentiële klant die voldoet aan jouw criteria
D
geen van allen
Slide 44 - Quizvraag
Welke klanten zijn volgens de klantpiramide van de meeste waarde voor een bedrijf?
A
A-klanten
B
B-klanten
C
C-klanten
Slide 45 - Quizvraag
In welke situatie komt cognitieve dissonantie vooral voor?
A
bij het aankoopgedrag van de consument
B
bij het koopgedrag van een organisatie
C
allebei
D
geen van beide
Slide 46 - Quizvraag
A
afnemersgericht
B
geografisch
C
productgericht
D
functionele indeling
Slide 47 - Quizvraag
UPO (Uitgebreid probleem oplossend koopgedrag)
BPO (beperkt probleem oplossend koopgedrag
RAG (Routinematig aankoopgedrag)
Convenience Goods
Shopping goods
Specialty goods
Slide 48 - Sleepvraag
Als er geen direct contact is tussen verkoper en koper, maar er wel een aanbod is, spreken we van
A
verkoop op afstand
B
verkoop in de winkel
C
verkoop buiten de verkoopruimte
Slide 49 - Quizvraag
Wat is break-even-omzet?
A
omzet waarbij de totale kosten gelijk zijn aan totale opbrengsten
B
omzet waarbij totale kosten hoger zijn dan totale obprengsten
C
omzet waarbij totale kosten lager zijn dan totale opbrengsten
D
aantal verkochte producten waarbij er geen winst of verlies is
Slide 50 - Quizvraag
Waar richt DMU zich op?
A
verkoopproces
B
interne verkoop
C
buiten de deur verkoop
D
aankoopproces
Slide 51 - Quizvraag
Slide 52 - Tekstslide
De nettowinst is een hoger bedrag dan de brutowinst
A
waar
B
niet waar
C
nettowinst en brutowinst zijn gelijk
Slide 53 - Quizvraag
Wat is de kostprijs?
A
de totale kosten die je maakt voor een product
B
de totale omzet die je verdient
C
de bedrijfskosten
D
wat je overhoudt aan nettowinst
Slide 54 - Quizvraag
Wat is de omloopsnelheid?
A
aantal dagen dat gemiddelde voorraad in bedrijf aanwezig is
B
aantal keren dat de BEO jaarlijks wordt behaald
C
tijd die het duurt om een investering terug te verdienen
D
aantal keren dat de gemiddelde voorraad jaarlijks verkocht wordt
Slide 55 - Quizvraag
Wat is een relatiekorting?
A
korting bij het plaatsen van grote orders
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 56 - Quizvraag
Wat is een betalingskorting?
A
korting bij het plaatsen van grote orders
B
korting om tijdelijk een product te stimuleren
C
korting voor snelle betalers
D
korting voor een vaste klant
Slide 57 - Quizvraag
Wat is de terugverdientijd?
A
aantal dagen dat gemiddelde voorraad in bedrijf aanwezig is
B
aantal keren dat de BEO jaarlijks wordt behaald
C
tijd die het duurt om een investering terug te verdienen
D
aantal keren dat de gemiddelde voorraad jaarlijks verkocht wordt
Slide 58 - Quizvraag
Wat doet ACM?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 59 - Quizvraag
Wat doet Stichting Postfilter?
A
ze zorgt voor eerlijke concurrentie
B
bepaalt de regels waaraan alle reclame-uitingen moeten voldoen
C
zorgt ervoor dat telemarketing vertrouwd wordt ingezet
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 60 - Quizvraag
Wat doet Autoriteit Persoonsgegevens?
A
ontvangen meldingen van datalek
B
je behoudt je rechten, maar geeft aan anderen toestemming voor gebruik
C
geeft advies over je rechten als consument
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 61 - Quizvraag
Wat doet Consuwijzer?
A
ontvangen meldingen van datalek
B
je behoudt je rechten, maar geeft aan anderen toestemming voor gebruik
C
geeft advies over je rechten als consument
D
houden bij wanneer iemand een reclamepost niet meer wilt ontvangen
Slide 62 - Quizvraag
Een bedrijf vervangt het koffiezetapparaat door een nieuw met meer keuzemogelijkheden.
Van welk koopgedrag is hier sprake?
A
Modified rebuy
B
New task
C
Straight rebuy
Slide 63 - Quizvraag
Wat gebeurt er bij de probleemoplossende verkoopmethode?
A
de behoefte van de klant staat centraal
B
de klant vertrouwd door een goede band op jouw advies
C
je verdiept je in het probleem van de klant en zoekt een oplossing
D
je helpt de klant met de processtappen naar een aankoop
Slide 64 - Quizvraag
van welke soort kosten zijn huurkosten een voorbeeld?
A
indirecte kosten
B
directe kosten
C
variabele kosten
D
geen van deze
Slide 65 - Quizvraag
Een klant koopt een product in dat hij al eerder inkocht bij dezelfde leverancier
A
straight rebuy
B
modified rebuy
C
new task
Slide 66 - Quizvraag
Wat is een voorbeeld van zelfontplooiing uit de piramide van Maslov?
A
een bepaald merk auto
B
behoefte aan gezelligheid in de kroeg
C
behoefte aan een opleiding
D
water
Slide 67 - Quizvraag
Tot welke kostensoort behoort de inkoopwaarde van de omzet?
A
vaste kosten
B
indirecte kosten
C
variabele kosten
D
brutowinst
Slide 68 - Quizvraag
Wat is servicegraad?
A
het % klanten dat reageert op een reclame
B
% offertes dat leidt tot een order
C
percentage orders dat een bedrijf uit voorraad kan leveren
D
mate van hulp in een winkel
Slide 69 - Quizvraag
Wat is call-ratio?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 70 - Quizvraag
Wat is succesratio?
A
hoeveel van het totaal aantal bezoekers gaat over tot actie?
B
hoeveel klanten hebben de enquête ingevuld?
C
je hebt 3 klantcontacten nodig om een nieuwe lead te werven
D
aantal klantcontacten dat nodig is om een order binnen te halen
Slide 71 - Quizvraag
Wat houdt recallratio in?
A
3 van 10 producten zijn teruggeroepen door schade
B
5 van de 20 klanten hebben de enquête ingevuld
C
4 van de 12 prospects zijn naar de website gegaan
D
7 klantcontacten zijn nodig voordat een klant overgaat tot aankoop
Slide 72 - Quizvraag
Meer lessen zoals deze
Leerjaar 4 Economie hst 1 les 2
September 2022
-
17 slides
Economie
Middelbare school
vmbo b
Leerjaar 4
Commercieel H8 | Hoe verkoop ik artikelen
January 2026
-
18 slides
Economie & Ondernemen
Middelbare school
vmbo b
Leerjaar 3
Herhaling H1 Kun jij kopen wat je wilt?
September 2025
-
15 slides
Economie
Middelbare school
vmbo b
Leerjaar 3
Logistiek H1 | Quiz
December 2023
-
12 slides
Economie & Ondernemen
Middelbare school
vmbo k
Leerjaar 3
1.2 Hoe word jij beïnvloed?
September 2018
-
46 slides
Economie
Middelbare school
vmbo g, t, mavo
Leerjaar 3
Eieren voor je geld
Logistiek H1 | Welke weg legt een artikel af?
April 2025
-
12 slides
Economie & Ondernemen
Middelbare school
vmbo b
Leerjaar 3
Herhaling secretarieel H5 + H6
September 2022
-
16 slides
Economie & Ondernemen
Middelbare school
vmbo b
Leerjaar 4
3 - Thema 3 Wensen van de klant – Begroten
September 2022
-
6 slides
TUINONTWERP EN -AANLEG - BB/KB/TL
Middelbare school
vmbo b, k
Leerjaar 3,4