Mondelinge taalvaardigheid, voortgezet technisch lezen, jeugdliteratuur en begrijpend lezen

Mondelinge taalvaardigheid, voortgezet technisch lezen, jeugdliteratuur en begrijpend lezen
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
CommunicatieHBOStudiejaar 3

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Mondelinge taalvaardigheid, voortgezet technisch lezen, jeugdliteratuur en begrijpend lezen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mondelinge taalvaardigheid

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De functies van taal 
Communicatie 
communicatieve of sociale taalfunctie
Expressie
expressieve taalfunctie 
Conceptualisatie
conceptualiserende of cognitieve taalfunctie

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Communicatieve of sociale taalfunctie

  • Zelfhandhaving 
  • Zelfsturing
  • Sturing van anderen 
  • Structureren

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Conceptualiserende of cognitieve taalfunctie

  •  Rapporteren 
  • Redeneren 
  • Projecteren   

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Theorieën over taalverwerving 
Behaviourisme
Nativisme/Creatieve-constructietheorie
Interactionele benadering 


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Behaviorisme 

Een taal leren is een kwestie van imitatie. 
De taalomgeving is vooral belangrijk bij het verwerven van een taal. 
Imitatie, bekrachtiging en conditionering

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nativisme 
Noam Chomsky
Taal is te complex om aan te leren door imitatie. 

Universele grammatica: 
Elk mens heeft bij de geboorte een talig vermogen.
Iedereen wordt dus geboren met het vermogen om taal te begrijpen. 

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Interactionele benadering
Aangeboren taalleervermogen 
Taalaanbod bepalend voor taalontwikkeling
Interactie

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Fasering in het leren van een taal 
Prelinguale periode (0-12 mnd)
De vroeg-linguale periode (1-2,5 jr)
De differentiatie-periode (2,5-5 jr)
Voltooiingsfase (na het 5e jaar)

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

'Fouten' in kindertaal
  • overregularisatie
    de ontdekte regels overal toepassen
  • overextensie
    alles onder hetzelfde woord laten vallen
  • onderextensie
    alleen wat het kind kent onder het woord laten vallen 
  • neologismen
    zelfbedachte woorden  

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Taalgroeimiddelen 
Taalaanbod
Taalruimte
Feedback 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tweede taalverwerving 
Simultane tweetaligheid
twee talen tegelijk aanleren

Successieve taalvaardigheid
leren van een tweede taal nadat je een eerste taal geleerd hebt   (na 3e levensjaar)     

Interferentiefouten
fouten vanuit verschillen tussen eerste en tweede taal.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

0 tot 1 jaar
1 - 2,5 jaar 
2,5 tot 5 jaar
5 - 9 jaar
Voltooiingsfase
Prelinguale fase
Vroeglinguale fase
Differentiatiefase

Slide 14 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Luisterend naar de radio krijgen we beelden in ons hoofd. Als we kinderen een verhaal vertellen roepen we beelden op. We ‘vangen’ de werkelijkheid in taal. Een kind gebruikt die taal om de wereld ‘handen en voeten te geven’. Welke functie van taal is hierbij vooral aan de orde?
A
de communicatieve functie
B
de conceptualiserende functie
C
de expressieve functie
D
geen van deze drie functies

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Kiki uit groep 5 is net verhuisd en vertelt in de vertelkring op school hoe haar nieuwe kamer eruit ziet.
Van welke taalfunctie is hier sprake?
A
projecteren
B
rapporteren
C
redeneren

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk begrip hoort bij 1, 2 en 3?
1. Behaviorisme
2. aangeboren vermogen
3. constructivisme
imitatie
Chomsky
interactie

Slide 17 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet de 4 fasen van het taalverwervingsproces in de juiste volgorde
voortalige periode
vroegtalige periode
voltooiingsfase
differentiatiefase

Slide 18 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als je opgroeit met twee moedertalen ben je:
A
simultaan tweetalig
B
successief tweetalig

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Alleen onze hond is een hond, is een voorbeeld van
A
neologismen
B
overregularisatie
C
overextensie
D
onderextensie

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

'Ik heb de driede plek' is een voorbeeld van
A
overregularisatie
B
onderregulatie
C
overextensie
D
onderextensie

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tim luistert tijdens het maken van een werkstuk naar het verslag op de radio van een etappe van de Tour de France. Hij wil weten of Bauke Mollema zijn achterstand in het klassement kan verkleinen.
Welke luisterstrategie gebruikt Tim?
A
globaal luisteren
B
intensief luisteren
C
kritisch luisteren
D
gericht luisteren

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voortgezet technisch lezen 

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerprocestheorieën 

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leesstrategieën 
  • Elementaire leeshandeling
  • Lezen met behulp van klankclusters en spellingpatronen
  • Lezen met behulp van visuele woordvorm
  • Lezen met behulp van morfologische analyse
  • Lezen met behulp van context

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructieprincipes 
  • De leerkracht als model
  • Hardop denken
  • Gerichte aanwijzingen
  • Gebruik van markeringen en tekens in de tekst
  • Het uitspelen van teksten
  • Herhaald lezen

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een leerkracht laat een leerling de volgende tekst lezen:
"Loes gaat naar huis. Ze doet de d… open."
Met een dergelijke oefening kan men bereiken dat de leerling gebruik leert maken van de leesstrategie:
A
lezen met behulp van de visuele woordvorm
B
elementaire leeshandeling
C
lezen met behulp van de context
D
lezen met behulp van clusters en spellingpatronen

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De leesstrategie 'lezen met behulp van de context' kun je trainen door de volgende oefening:
A
een tekst waarin enkele letters zijn vervangen door tekens
B
een tekst waar de onderkant van de regel is weggelaten
C
een tekst met afwijkende lettertypes
D
een tekst zonder interpunctie

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De leesstrategie 'lezen met behulp van clusters en spellingpatronen' kun je trainen door de volgende oefening:
A
woorden met lettergrepenverdeling
B
een tekst met afwijkende lettertypen
C
woorden waarbij de onderkant is weggelaten
D
een rij woorden waarin bepaalde letters vet gedrukt zijn

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Een leerling leest het woord ‘mooi’ als /m/ /oo/ /i/. Met welke leesstrategie heeft hij nog problemen?
A
Elementaire leeshandeling
B
Lezen met behulp van clusters en spellingpatronen
C
Lezen met behulp van morfologische analyse
D
Lezen met behulp van de context

Slide 30 - Quizvraag

-ooi = spellingpatroon dat gelezen moet worden als /ooj/

Het top-downmodel biedt een verklaring voor het leesproces.
Wat houdt het in?
A
Het lezen begint met het waarnemen van grotere gehelen als zinnen, daarna bekijkt de lezer de letters van een woord.
B
Het lezen van afzonderlijke letters en woorden wordt sterk beïnvloed door de verwachting die een lezer heeft.
C
De lezer werkt consequent van de bovenkant van de bladzijde naar beneden en kijkt niet terug.
D
De lezer vertoont een afwisseling tussen voorspellend lezen en woord voor woord lezen.

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Pascal leest een tekst over het ontstaan van de Tour de France aandachtig door. Hij zet strepen in de tekst en schrijft een aantal vragen in de kantlijn. Welke uitspraak typeert het gedrag van Pascal zo volledig mogelijk?
A
Pascal is bezig met begrijpend lezen.
B
Pascal past technieken voor informatieverwerking toe.
C
Pascal gebruikt de leesstrategie ‘opsporen van structuur’.
D
Pascal reflecteert op zijn eigen leesactiviteiten en resultaten.

Slide 32 - Quizvraag

Ander woord hiervoor: studietechnieken
Begrijpend lezen 
Maak het werkblad op Brightspace 

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heet het niveau voor begrijpend lezen?
A
CLIB
B
CLIM
C
BLITS
D
BLICK

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Informeren<div><br /></div>
Amuseren
Overtuigen
Instrueren
argumentatieve tekst
informatieve tekst
verhalende tekst
directieve tekst

Slide 35 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarop zijn AVI-niveaus NIET gebaseerd?
A
Woordbetekenis
B
Aantal woorden
C
Woordfrequentie
D
Gemiddelde lengte van een woord

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Jeugdliteratuur 

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Functies van jeugdliteratuur
  • Ontspannende functie
  • Emotionele functie: gevoelens + ervaringen
  • Informatieve functie: nieuwsgierigheid (historische jeugdboeken)
  • Opvoedende functie: normen en waarden bijbrengen
  • Creatieve functie: fantasie stimuleren
  • Esthetische functie: Schoonheid (prenten in boeken)

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beoordelen van jeugdliteratuur
  • Literaire criteria
  • Pedagogische criteria 
  • Ideologische criteria

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Jeugdliteratuur 1:
Jeugdboeken kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld in genres. Op grond van welk criterium zijn de volgende jeugdboeken ingedeeld: informatieve boeken, prentenboeken, poëzie?
A
Thema
B
De verhouding tussen woord en beeld
C
Doelstelling
D
Vorm

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Jeugdliteratuur 2:
Op peuteren.nl staat de volgende recensie:
Dit boek is een goed concept. Enerzijds wordt een spannend verhaal verteld, aan de andere kant wordt er interessante (achtergrond-, historische en culturele) informatie gegeven. Op deze manier leren kinderen op een leuke manier, meer over het land en diens gewoontes. In het boek zijn ook diverse zoekspelletjes en doewerkjes te vinden. Kortom, een hartstikke leuk en vooral interessant boek voor ieder kind dat meer te weten wil komen over andere culturen. Het boek is ook geschikt te gebruiken in het basisonderwijs, wanneer het thema Índonesië wordt behandeld.
Vanuit welke beoordelingscriteria is deze recensie geschreven?
A
Sociale criteria
B
Ideologische criteria
C
Literaire criteria
D
Pedagogische criteria

Slide 41 - Quizvraag

Pedagogisch = op ontwikkeling gericht
Ideologisch = op normen en waarden