De kledingboetiek
De kledingboetiek
Open met het idee dat een winkel niet alleen kleding verkoopt, maar ook veel kosten heeft. Dat vormt de brug naar winst en verlies.
Lesdoel
Ik kan met voorbeelden uitleggen wat bedrijfskosten, variabele kosten, vaste kosten, afschrijvingskosten, kostprijs en nettowinst zijn, en ik kan nettowinst of nettoverlies uitrekenen.
Deze slide heeft geen instructies
Wat is een kledingboetiek?
Een winkel die kleding verkoopt
De winkelier koopt kleding in
Daarna verkoopt de winkelier de kleding voor een hogere prijs
Het verschil is niet automatisch winst, want er zijn ook kosten
Benadruk het economische idee: omzet alleen zegt nog niet of een winkel goed draait. Kosten moeten er nog af.
Bedrijfskosten
Bedrijfskosten zijn alle kosten die een winkel maakt om te kunnen werken.
Voorbeelden in een kledingboetiek:
huur van het pand
loon van personeel
stroom en internet
verpakking
reclame
Leg uit dat bedrijfskosten niet hetzelfde zijn als de inkoopprijs van één trui. Bedrijfskosten gaan over het hele bedrijf.
Waarom zijn kosten belangrijk?
Zonder kosten kan een winkel niet draaien
Maar hoge kosten maken winst kleiner
Daarom moet een winkelier zijn kosten goed kennen
Koppel dit aan de centrale vraag: hoe weet een winkelier of er winst of verlies is? Antwoord: door opbrengsten en kosten te vergelijken.
Twee soorten kosten
Bedrijfskosten worden vaak verdeeld in:
vaste kosten
variabele kosten
Dat helpt een winkelier om beter te rekenen en te plannen.
Deze slide heeft geen instructies
Vaste kosten
Vaste kosten blijven ongeveer gelijk.
Voorbeelden:
huur van de winkel
verzekering
abonnement voor internet
De winkel betaalt deze kosten ook als er weinig wordt verkocht.
Gebruik eenvoudige taal: vast betekent hier niet letterlijk voor altijd hetzelfde, maar wel niet direct afhankelijk van het aantal verkochte kledingstukken.
Variabele kosten
Variabele kosten veranderen mee met de verkoop.
Voorbeelden:
tassen voor klanten
cadeauverpakking
verzendkosten bij online verkoop
Noem dat bij meer verkoop deze kosten vaak stijgen. Bij minder verkoop zijn ze lager.
Voorbeeld vaste en variabele kosten
Een boetiek verkoopt in een maand 100 shirts.
huur: € 1.000 → vaste kosten
internet: € 50 → vaste kosten
tasjes: € 0,20 per shirt → variabele kosten
Bij 100 shirts zijn de kosten voor tasjes: 100 × € 0,20 = € 20.
Laat zien dat de huur hetzelfde blijft, maar de kosten van tasjes afhangen van het aantal verkochte shirts.
Welke kosten blijven ongeveer gelijk?
tasjes
huur
verzendkosten
cadeaupapier
Toetst het verschil tussen vaste en variabele kosten. De foute opties zijn voorbeelden van kosten die meegaan met verkoop.
Vaste en variabele kosten
In een kledingboetiek zijn er vaste kosten en variabele kosten. De huur van de winkel blijft ongeveer gelijk. Tasjes voor klanten zijn vaak variabele kosten, want die veranderen met de verkoop.
Alle blanks zijn kernwoorden uit de net behandelde uitleg en het voorbeeld met shirts en tasjes.
Afschrijvingskosten
Een winkel gebruikt spullen meerdere jaren
Bijvoorbeeld een kassa of een kledingrek
Die spullen worden minder waard
Dat noem je afschrijvingskosten
Zeg expliciet dat een grote aankoop niet altijd in één keer als kosten wordt gezien. De waarde wordt verdeeld over meerdere jaren.
Afschrijven met een voorbeeld
Een nieuwe kassa kost € 1.200.
De winkel gebruikt de kassa 4 jaar.
Berekening:
€ 1.200 ÷ 4 = € 300 per jaar
De afschrijvingskosten zijn dan € 300 per jaar.
Houd het simpel en gebruik hier geen restwaarde, omdat CEFR A1 en deze paragraaf vooral om het basisidee draait.
Kostprijs
Kostprijs is wat een product de winkel echt kost.
Daarin zitten:
inkoopkosten
een deel van de bedrijfskosten
Maak duidelijk dat de verkoopprijs vaak hoger moet zijn dan de kostprijs, anders maakt de winkel verlies.
Kostprijs berekenen
Een trui heeft:
inkoopkosten: € 20
deel van de bedrijfskosten: € 5
Berekening:
€ 20 + € 5 = € 25
De kostprijs van de trui is € 25.
Benadruk dat het deel van de bedrijfskosten per product een vereenvoudigd voorbeeld is om het begrip duidelijk te maken.
Van kostprijs naar verkoopprijs
Als de kostprijs van een trui € 25 is:
verkoop voor € 25 → geen winst op die trui
verkoop voor meer dan € 25 → kans op winst
verkoop voor minder dan € 25 → verlies op die trui
Gebruik dit als brug naar nettowinst: winst op één product is nog niet hetzelfde als nettowinst van de hele winkel.
Wat zijn afschrijvingskosten?
kosten van reclame
kosten per tasje
waardevermindering
winst per trui
Sluit aan op de kassa en het kledingrek: spullen die je langer gebruikt, worden minder waard.
Kostprijs begrijpen
De kostprijs is wat een product de winkel echt kost. Bij een trui met inkoopkosten van €20 en €5 bedrijfskosten is de kostprijs €25. Verkoop je de trui voor minder dan €25, dan maak je verlies op die trui.
Herhaalt de voorbeeldsom exact in eenvoudige taal. Let op: kostprijs is niet hetzelfde als verkoopprijs.
Nettowinst
Nettowinst is wat overblijft na alle kosten
Je vergelijkt opbrengsten met alle kosten
Blijft er geld over, dan is er nettowinst
Gebruik consequent het woord opbrengsten als geld dat binnenkomt door verkoop.
Nettoverlies
Zijn de kosten hoger dan de opbrengsten?
Dan is er nettoverlies.
Dus:
opbrengsten groter dan kosten → nettowinst
kosten groter dan opbrengsten → nettoverlies
Deze slide heeft geen instructies
Nettowinst uitrekenen
Formule:
nettowinst = opbrengsten - totale kosten
Voorbeeld:
opbrengsten: € 4.000
totale kosten: € 3.200
€ 4.000 - € 3.200 = € 800 nettowinst
Wijs erop dat totale kosten hier alle bedrijfskosten samen zijn, inclusief vaste kosten, variabele kosten en afschrijvingskosten.
Nettoverlies uitrekenen
Voorbeeld:
opbrengsten: € 2.500
totale kosten: € 3.100
Berekening:
€ 2.500 - € 3.100 = - € 600
De winkel heeft € 600 nettoverlies.
Leg uit dat een minteken betekent dat de kosten hoger zijn dan de opbrengsten.
Alles bij elkaar
In een kledingboetiek werkt het zo:
kosten maken om te kunnen verkopen
kostprijs van producten bepalen
opbrengsten vergelijken met totale kosten
daarna zie je winst of verlies
Dit is de samenvattende inhoudelijke landingsslide van de les.
Wat is de formule voor nettowinst?
kosten - opbrengsten
opbrengsten + kosten
nettowinst - kosten
opbrengsten - kosten
Gebruik de voorbeelden van €4.000 - €3.200 en €2.500 - €3.100 om het verschil tussen winst en verlies te bespreken.
Winst of verlies
Nettowinst is wat overblijft na alle kosten. Je rekent met opbrengsten min totale kosten. Zijn de kosten hoger, dan is er nettoverlies. Bij €4.000 opbrengsten en €3.200 kosten is de nettowinst €800.
Controleert begrip van de formule én van het voorbeeld op de vorige slides.
Begrippen
bedrijfskosten - alle kosten die een winkel maakt om te kunnen werken
variabele kosten - kosten die veranderen als de verkoop verandert
vaste kosten - kosten die ongeveer gelijk blijven
afschrijvingskosten - kosten door waardevermindering van spullen die je lang gebruikt
kostprijs - wat een product de winkel echt kost
nettowinst - geld dat overblijft na alle kosten
nettoverlies - tekort als de kosten hoger zijn dan de opbrengsten
Deze slide heeft geen instructies