Apostrof

Apostrof, weglatingstreepje en afbreekteken


leerdoel:

aan het einde van deze les kun je de apostrof, het weglaatstreepje en het afbreekteken gebruiken

1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsBasisschoolGroep 7

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Apostrof, weglatingstreepje en afbreekteken


leerdoel:

aan het einde van deze les kun je de apostrof, het weglaatstreepje en het afbreekteken gebruiken

Slide 1 - Tekstslide

Geef een voorbeeld van een woord met een apostrof

Slide 2 - Open vraag

In de volgende slides krijg je iedere keer een woord met een apostrof. Daaronder staat vier regels wanneer je een apostrof kunt gebruiken. Kies welke regel past bij dat woord.   

Slide 3 - Tekstslide

A’dam
A
Vervanging van een aantal letters
B
Bij sommige bezitsvormen
C
Bij meervouden
D
Bij letterwoorden en cijferwoorden

Slide 4 - Quizvraag

Opa’s gezelschapskist
A
Vervanging van een aantal letters
B
Bij sommige bezitsvormen
C
Bij meervouden
D
Bij letterwoorden en cijferwoorden

Slide 5 - Quizvraag

De pony’s
A
Vervanging van een aantal letters
B
Bij sommige bezitsvormen
C
Bij meervouden
D
Bij letterwoorden en cijferwoorden

Slide 6 - Quizvraag

Wc’tje
A
Vervanging van een aantal letters
B
Bij sommige bezitsvormen
C
Bij meervouden
D
Bij letterwoorden en cijferwoorden

Slide 7 - Quizvraag

Mila’s oorbellen
A
Vervanging van een aantal letters
B
Bij sommige bezitsvormen
C
Bij meervouden
D
Bij letterwoorden en cijferwoorden

Slide 8 - Quizvraag

Zo’n
A
Vervanging van een aantal letters
B
Bij sommige bezitsvormen
C
Bij meervouden
D
Bij letterwoorden en cijferwoorden

Slide 9 - Quizvraag

Laura’s fiets
A
Vervanging van een aantal letters
B
Bij sommige bezitsvormen
C
Bij meervouden
D
Bij letterwoorden en cijferwoorden

Slide 10 - Quizvraag

A’dam
A
Vervanging van een aantal letters
B
Bij sommige bezitsvormen
C
Bij meervouden
D
Bij letterwoorden en cijferwoorden

Slide 11 - Quizvraag

‘s nachts
A
Vervanging van een aantal letters
B
Bij sommige bezitsvormen
C
Bij meervouden
D
Bij letterwoorden en cijferwoorden

Slide 12 - Quizvraag

Wanneer gebruik je een apostrof?

Blz 176

1 Bij een afkorting of verkleinwoord met -er erachter       PVV'er vmbo'er
2 Bij het meervoud van afkortingen                                          dvd's
3 Bij het meervoud van woorden op -y                                     baby's (cowboys)
4 Bij bezitsvormen van namen die eindigen                          Hanna's tas
op een lange klinker of -y                                                                Benny's fiets
5 Bij bezitsvormen van namen die eindigen op                   Kees' boek
een s-klank                                                                                            Max' telefoon
6 Bij woorden of getallen waarvan je een deel weglaat   's morgens, in '99

Slide 13 - Tekstslide

Hij ontbijt ............ altijd om 7 uur.
A
sochtends
B
's ochtends
C
s'ochtends

Slide 14 - Quizvraag

.... bril is kapot
A
Opa's
B
Opaas
C
Opas

Slide 15 - Quizvraag

De tas van ........ is stuk
A
Marlies
B
Marlies'
C
Marlie's

Slide 16 - Quizvraag

De monteur repareert 5 .... per dag
A
cvs
B
cv's
C
cvs'

Slide 17 - Quizvraag

Vul in de zin het goede woord in. Gebruik een apostrof als dat nodig is.
(Bente) kleding ziet er altijd duur uit

Slide 18 - Open vraag

Vul in de zin het goede woord in. Gebruik een apostrof als dat nodig is.
In (1951) werd mijn oma geboren.

Slide 19 - Open vraag

Vul in de zin het goede woord in. Gebruik een apostrof als dat nodig is.
Morgen ga ik naar (Laurens) verjaardagsfeest.

Slide 20 - Open vraag

Vul in de zin het goede woord in. Gebruik een apostrof als dat nodig is.
Thuis hebben we twee (buggy) voor de oppaskinderen van mijn moeder.

Slide 21 - Open vraag

Vul in de zin het goede woord in. Gebruik een apostrof als dat nodig is.
Onze nieuwe trainer heet (Otto).

Slide 22 - Open vraag

Vul in de zin het goede woord in. Gebruik een apostrof als dat nodig is.
Hoeveel (dvd) hebben jullie thuis?

Slide 23 - Open vraag

weglatingsstreepje (-) blz 177
Soms kun je een deel van een woord weglaten, terwijl de betekenis gelijk blijft. Je moet dan wel een weglatingsstreepje neerzetten op de plaats waar je het woord weglaat.        (-)

bv: kerstballen en -bomen,  geur- en kleurloos, in- en uitgang

Je mag GEEN weglatingsstreepje gebruiken als de woorden niet hetzelfde betekenen of als je een heel woord weglaat.

Slide 24 - Tekstslide


Neem de onderstaande woorden over. Schrijf woorden daar waar dat mag aan elkaar, en plaats daar waar nodig of mogelijk een weglatingsstreepje.

  1. koffie en thee buffet
  2. rekenschriften en taalboeken
  3. in binnen en buitenland
  4. dameskapper en herenkapper
  5. oprit en afrit
  6. groenteafval, tuinafval en fruit

Slide 25 - Tekstslide

Noteer korter. Gebruik waar het kan een weglatingsstreepje.
"voorspoed en tegenspoed"

Slide 26 - Open vraag

Noteer korter. Gebruik waar het kan een weglatingsstreepje.
"lage huur en hoge huur"

Slide 27 - Open vraag

Afbreekteken blz 178
De meeste woorden bestaan uit 2 of meer lettergrepen. Als een woord niet helemaal op een regel past, mag je het tussen de lettergrepen afbreken. Op die plaats zet je dan een afbreekteken - 

vb: huisdeur: huis-deur
       bakfiets: bak-fiets

Slide 28 - Tekstslide

Plaats een afbreekteken op de juiste plek
"A4'tje"

Slide 29 - Open vraag

Plaats een afbreekteken op de juiste plek:
"fotootje"

Slide 30 - Open vraag

Maak nu opdracht 5 op blz 179

klaar? Ga verder met het huiswerk:

opdracht 1 t/m 5 en 7 en 8 (blz 181-185)

Slide 31 - Tekstslide