318CH TaalverzorgingVBSchrijfproductenSchrijfexamen

318CH
18/3/2021
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

318CH
18/3/2021

Slide 1 - Tekstslide

Lesinhoud + lesdoelen
Je verhoogt je spellings- en stijlvaardigheid dmv een quiz.
Je kunt naar aanleiding van de voorbeelden aangeven om welk schrijfproduct het gaat en aan welke eisen dit product moet voldoen.
Je kunt vertellen waaraan een goed verslag moet voldoen.
Je maakt een keuze tussen spellings-, stijl, schrijfopdrachten, waardoor je oefent op de onderdelen die je lastig vindt.

Slide 2 - Tekstslide

3 schrijfproducten in 60 minuten
In het 2F-schrijfexamen:
artikel                                                                                   memo
zakelijke e-mail                             verslag(je)                 
informele e-mail                                                    
advertentie                                             
zakelijke brief                             
betoog/reactie     

Slide 3 - Tekstslide

Regel als - dan
  • Als:
  • GELIJK: Zij is even groot als ....
  • ZO: Hij eet twee keer zoveel als ....
  • Dan:
  • ongelijk
  • Hij is groter dan ik... 

Slide 4 - Tekstslide

Sedoc vindt honden heel wat leuker ___ katten.
A
als
B
dan

Slide 5 - Quizvraag

Jindy is veel ijveriger dan ___ ben.
A
ik
B
mij

Slide 6 - Quizvraag

Waarom zijn wij later vrij dan ___ zijn?
A
hun
B
zij

Slide 7 - Quizvraag

Ik denk dat jij sneller kan lopen dan ___ kan.
A
hem
B
hij

Slide 8 - Quizvraag

Danny krijgt net zo veel zakgeld als ___ krijg.
A
ik
B
mij

Slide 9 - Quizvraag

De buren hebben net zo'n auto gekocht als ___.
A
ons
B
wij

Slide 10 - Quizvraag

Fred denkt dat ik net zo veel van voetbal houd als ___.
A
hem
B
hij

Slide 11 - Quizvraag

Mary is goed in wiskunde, maar Richenda is nog beter ____.
A
als haar
B
als zij
C
dan haar
D
dan zij

Slide 12 - Quizvraag

Onze trainer denkt dat het andere team even veel kans maakt op de beker ____.
A
als ons
B
als wij
C
dan ons
D
dan wij

Slide 13 - Quizvraag

Een werkgever zal .... gaan naar de geschikte kandidaat.
A
opzoek
B
op zoek

Slide 14 - Quizvraag

Wil je dat ik dit voor jou....?
A
op zoek
B
opzoek

Slide 15 - Quizvraag

Geachte mevrouw .....
A
De Goede
B
de Goede

Slide 16 - Quizvraag

... vinden het juist fijn dat er een sticker op de fiets zit.
A
Vele
B
Velen

Slide 17 - Quizvraag

Regel
Staat er een zelfstandig naamwoord achter?
Dan vele/sommige/alle
Vele mensen / sommige studenten / alle honden
Staat er geen zelfstandig naamwoord achter en gaat het over mensen?
Dan velen/sommigen/allen

Slide 18 - Tekstslide

.... studenten slaagden voor het schrijfexamen.
A
Alle
B
Allen

Slide 19 - Quizvraag

Arie van der Meer wilt graag nog wat dingen met jou bespreken.
Correcte zin?
A
Ja
B
Nee

Slide 20 - Quizvraag

WILLEN
Ik wil
jij wil / wilt
Wil jij?
hij/zij wil
u wil / wilt

Slide 21 - Tekstslide

Een flesje water waar de dop .....was
A
ervan afgedraaid
B
er vanaf gedraaid
C
ervanaf gedraaid

Slide 22 - Quizvraag

Een tas van de Albert Heijn met een logo ...
A
erop
B
er op

Slide 23 - Quizvraag

Ik kon niet goed zien wat .....
vermeld stond
A
hierop
B
hier op

Slide 24 - Quizvraag

Ik heb het gecontroleerd voordat ik naar .....
A
binnen ging
B
binnenging

Slide 25 - Quizvraag

Ik keek of er iets was ...
A
weg genomen
B
weggenomen

Slide 26 - Quizvraag

In de Albert Heijn sprak ik bedrijfsleider .... aan.
A
De Jong
B
de Jong

Slide 27 - Quizvraag

Om te vragen of ... iets gezien hadden
A
zij
B
hun
C
hen

Slide 28 - Quizvraag

zij - hun - hen
Zij: Onderwerp (wie-vraag)
Hun:
Als je er in je hoofd 'aan' of 'voor' voor kunt zetten 
(Ik gaf dit hun kado.)
Als het bezit is (hun klas)
Hen:
Na een voorzetsel

Slide 29 - Tekstslide

Ik geef....een hand.
A
zij
B
hun
C
hen

Slide 30 - Quizvraag

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Voorbeelden
Nu volgen er voorbeelden van de schrijfproducten die kunnen voorkomen in het schrijfexamen.


Wat voor schrijfproduct zie je?
Wat zijn de eisen waaraan het product moet voldoen?

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Persoonlijke brief

- je schrijft naar een bekende

- datering

- elke aanhef is goed

- brief kan een doel hebben, maar hoeft niet

- indelen in alinea's

- naam eronder

Zakelijke brief

- vaste indeling

- niet met 'ik' beginnen

- Geachte heer, mevrouw

- inleiding, midden, slot

- afsluiting

- handtekening en naam

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide

Laatste product van deze rij: verslag
Als je in het schrijfexamen een verslag moet schrijven, dan zal dit verslag het meeste lijken op:
  • een artikel
  • De overeenkomsten zijn namelijk:
  • Titel
  • Inleiding-kern-slot
  • Tussenkopjes (bij een artikel niet verplicht)

Slide 41 - Tekstslide

Verslag
Een verslag is een tekst waarin je beschrijft wat je hebt gedaan of wat er is gebeurd. 

Je kunt een zakelijk verslag schrijven, dan gebruik je alleen feiten. Een voorbeeld hiervan is een verslag van een vergadering.

Ook kun je een persoonlijk verslag schrijven. Je kunt dan feiten gebruiken, maar je beschrijft ook je eigen mening. Een voorbeeld van een persoonlijk verslag is een stageverslag.

Slide 42 - Tekstslide

Keuzemenu
1. Schrijfproduct naar keuze: B-boek, blz. 126 e.v.
2. ViaStarttaalOnline 3F-Stijl-Vaste voorzetsels
3. Interpunctie (vorige les ook)
4. Werkwoordspelling (vorige les ook)
5. ViaStarttaalOnline 3F-Stijl-Alle(n), Enige(n)
6. ViaStarttaalOnline 3F-Stijl-Zij/hun/hen


timer
45:00

Slide 43 - Tekstslide