NT2 Wat is een werkwoord? Oefenen met hebben en zijn.

Werkwoorden
Wat zijn werkwoorden?

Werkwoorden hebben en zijn.
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Voortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Werkwoorden
Wat zijn werkwoorden?

Werkwoorden hebben en zijn.

Slide 1 - Tekstslide

Doelen van de les
  1. Na deze les kun je vertellen welk woord een werkwoord is.
  2. Na deze les gebruik je de de goede vorm van het werkwoord  hebben en zijn.

Slide 2 - Tekstslide

Wat is een werkwoord
A
Wat er gebeurt
B
Wat er is
C
Een doe-woord
D
Wat iemand doet

Slide 3 - Quizvraag

Wat is het goede werkwoord?
A
Rijden
B
Fietsen
C
Huiswerk maken
D
Paardrijden

Slide 4 - Quizvraag

Wat is het goede werkwoord?
A
Lopen
B
Eten
C
Fietsen
D
Schrijven

Slide 5 - Quizvraag

Wat is het goede werkwoord?
A
Lopen
B
Eten
C
Fietsen
D
Schrijven

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het goede werkwoord?
A
Afwassen
B
Poetsen
C
Strijken
D
Wassen

Slide 7 - Quizvraag

Welk woord is een werkwoord?
A
fiets
B
vallen
C
zus
D
winkel

Slide 8 - Quizvraag

Welk woord is een werkwoord?
A
Bussen
B
Brieven
C
Eten
D
Benen

Slide 9 - Quizvraag

Wat is het werkwoord?
A
Lopen
B
Grote
C
Mappen
D
Stoelen

Slide 10 - Quizvraag

Welk woord is een werkwoord?
A
meloen
B
stuk
C
auto
D
eet

Slide 11 - Quizvraag

Welk woord is een werkwoord?
A
papegaai
B
juf
C
mooi
D
zingen

Slide 12 - Quizvraag

Slide 13 - Tekstslide

Wat is het goede werkwoord?

Ik ..... een broek.
A
heb
B
hebt
C
hebben
D
heeft

Slide 14 - Quizvraag

Vul de juiste vorm in van het werkwoord "hebben".

Wij ...... een fiets.
A
hebt
B
heb
C
heeft
D
hebben

Slide 15 - Quizvraag

Welk woord is goed?

Ik ..... een jongen.
A
bent
B
ben
C
is
D
zijn

Slide 16 - Quizvraag

Wat is de goede vorm van het werkwoord "zijn"?

Hij ..... 14 jaar.
A
ben
B
bent
C
zijn
D
is

Slide 17 - Quizvraag

Kies het juiste werkwoord.

Jij ...... een boek.
A
bent
B
zijn
C
hebt
D
hebben

Slide 18 - Quizvraag

Kies het juiste werkwoord.

Wij ... lief.
A
ben
B
zijn
C
bent
D
is

Slide 19 - Quizvraag

Kies het juiste werkwoord.

Wij ..... lieve leerlingen.
A
hebben
B
zijn
C
zorgen
D
kennen

Slide 20 - Quizvraag

Kies het juiste werkwoord.

Hij ... een jas.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben

Slide 21 - Quizvraag

Kies het juiste werkwoord.

Zij ......... groot.
A
ben
B
bent
C
is
D
zijn

Slide 22 - Quizvraag

HEBBEN:
Jullie ... een pen.
A
heb
B
heeft
C
hebben
D
hebt

Slide 23 - Quizvraag

ZIJN
Zij ... naar de winkel gegaan.
A
ben
B
was
C
zijn
D
is

Slide 24 - Quizvraag

ZIJN
Ik ........... altijd moe na school.
A
zijn
B
zij
C
ben
D
bent

Slide 25 - Quizvraag

ZIJN
Wij ................ blij met onze cadeautjes.
A
bent
B
zijn
C
ben
D
is

Slide 26 - Quizvraag

ZIJN
De kat van mijn vriendin ............ heel schattig.
A
bent
B
is
C
ben
D
zijn

Slide 27 - Quizvraag

Ik _______ een leerling.
A
ben
B
is
C
bent
D
zijn

Slide 28 - Quizvraag

Wij _______ op school.
A
ben
B
is
C
bent
D
zijn

Slide 29 - Quizvraag

Hij ________ een beetje ziek.
A
ben
B
is
C
bent
D
zijn

Slide 30 - Quizvraag

Jij ________ 18 jaar.
A
ben
B
is
C
bent
D
zijn

Slide 31 - Quizvraag

Zij ______ een meisje.
A
ben
B
is
C
bent
D
zijn

Slide 32 - Quizvraag

Monique en Ahmed _______ getrouwd.
A
ben
B
is
C
bent
D
zijn

Slide 33 - Quizvraag

Miro _____ een leuke jongen.
A
ben
B
is
C
bent
D
zijn

Slide 34 - Quizvraag

Ik ______ elke dag op school.
A
ben
B
is
C
bent
D
zijn

Slide 35 - Quizvraag

Jullie _____ in de klas.
A
ben
B
is
C
bent
D
zijn

Slide 36 - Quizvraag

Rama ______ de tante van Roos.
A
ben
B
is
C
bent
D
zijn

Slide 37 - Quizvraag

Ik ....... een nieuwe fiets.
A
heb
B
heeft
C
hebt
D
hebben

Slide 38 - Quizvraag


Wij ...... een kleine auto.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben

Slide 39 - Quizvraag

Abdel ..... een mooie tas.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben

Slide 40 - Quizvraag

Kunnen jullie nu zeggen:
'Ik kan de juiste vorm van hebben en zijn in een zin schrijven'?

Slide 41 - Open vraag

Opdracht
  1. Schrijf 3 zinnen met het werkwoord 'zijn' en 3 zinnen met werkwoord 'hebben'.
  2.  Gebruik enkelvoud (1 persoon) en meervoud (meer dan 1 persoon).
  3. Lever het in.

Slide 42 - Tekstslide