Hoofdstuk 3 - Lezen - enkelvoudige/meervoudige argumentatie

3 havo is een leuke klas!
A
Feit
B
Geen feit
1 / 11
volgende
Slide 1: Quizvraag
nedeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

3 havo is een leuke klas!
A
Feit
B
Geen feit

Slide 1 - Quizvraag

Licht je antwoord van de vorige vraag toe.

Slide 2 - Open vraag

Mevrouw Straatman is docent Nederlands op het Lyceum aan Zee.
A
Feit
B
Geen feit

Slide 3 - Quizvraag

Licht je antwoord op de vorige vraag toe.

Slide 4 - Open vraag

Standpunt = mening = wat je van iets vindt.


Argument = reden.


Onderbouwen = met argumenten je standpunt uitleggen, verdedigen.


Feitelijk argument > kun je controleren.


Niet-feitelijk argument > kun je niet controleren.

Slide 5 - Tekstslide

Mevrouw Straatman vindt lesgeven leuk, omdat ze ervoor geleerd heeft en omdat ze zulke leuke klassen heeft.


Standpunt:

Argument:

Feitelijk argument:

Niet-feitelijk argument:

Slide 6 - Tekstslide

Enkelvoudige argumentatie

Een schrijver onderbouwt zijn standpunt met één argument:


Roken moet verboden worden.

1) roken is ongezond.



Slide 7 - Tekstslide

Meervoudige argumentatie

Een schrijver onderbouwt zijn standpunt met twee of meer argumenten:


Roken moet verboden worden:

1) Roken is ongezond.

2) Roken is vies voor niet-rokers.








Slide 8 - Tekstslide

Enkelvoudige onderschikkende argumentatie


Een schrijver onderbouwt één argument met een ondersteunend argument:





Slide 9 - Tekstslide

Meervoudige onderschikkende argumentatie
Een schrijver onderbouwt twee of meer argumenten met een ondersteunend argument:

Slide 10 - Tekstslide

De argumentatie kun je in een blokjesschema zetten. Zie blz 96.


Signaalworden die horen bij standpunten:

ik vind, volgens ons, zij denkt dat, de schrijver is van mening dat, dus, daarom, kortom

Een argumentatie kun je in een blokjesschema zetten. Zie blz 96. Van onder naar boven is 'dus', van boven naar beneden is 'want'.


Signaalwoorden die horen bij een standpunt:

ik vind, volgens ons, zij denkt dat, de schrijver is van mening dat, onze conclusie is, dus, daarom, kortom.....


Signaalwoorden die horen bij een argument:

dat blijkt uit, immers, namelijk, omdat , de reden hiervoor is, want....


Slide 11 - Tekstslide