Erfelijkheid bs 2: Geslachtschromosomen

Vandaag 

  • Genotype (herhaling)
  • Theorie geslachtschromosomen 
  • Vragen over geslachtschromosomen
  • maken opdrachten 12 t/m 17
  • afsluiten met quiz  
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Vandaag 

  • Genotype (herhaling)
  • Theorie geslachtschromosomen 
  • Vragen over geslachtschromosomen
  • maken opdrachten 12 t/m 17
  • afsluiten met quiz  

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen 


  • Je kunt beschrijven op welke manier de geslachtschromosomen het geslacht van een mens bepalen.

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Waar is je erfelijke informatie opgeslagen?

Slide 4 - Open vraag

DNA zit in de celkern
En is meestal niet opgerold : losse draden

Slide 5 - Tekstslide

Op een rijtje....
Chromosomen liggen in de celkern.
Chromosomen bestaan uit strengen DNA.
DNA bevat codes voor verschillende eigenschappen.
Een stukje chromosoom met de code voor 1 eigenschap is
een gen

Al deze informatie bij elkaar heet het genotype

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Vlak voor de celdeling zijn de chromosomen gespiraliseerd en zichtbaar als draden?

Slide 8 - Tekstslide

Waar bevinden zich de erfelijke eigenschappen?
A
Overal in het lichaam
B
In elke celkern
C
In elke geslachtscel
D
In elke cel

Slide 9 - Quizvraag

Hoeveel chromosomen heeft een menselijke cel?

Slide 10 - Open vraag

Yto is 2 meter lang, zijn vader is ook lang.
Dit is een voorbeeld van:
A
Genotype
B
Fenotype

Slide 11 - Quizvraag

Niels heeft een litteken op zijn been van een val met zijn fietsje toen hij een kleuter was.
Dit is een voorbeeld van:
A
Genotype
B
Fenotype

Slide 12 - Quizvraag

Een plant heeft behaarde bladeren.
Dit is een voorbeeld van:
A
Genotype
B
Fenotype

Slide 13 - Quizvraag

Een hortensia krijgt blauwe bloemen als de plant in zure grond groeit en roze bloemen als de plant in minder zure grond groeit.
Dit is een voorbeeld van:
A
Genotype
B
Fenotype

Slide 14 - Quizvraag

Op welk moment staat het genotype van een organisme vast?

Slide 15 - Open vraag

In elke lichaamscel:  23 paar chromosomen

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Geslachtschromosomen
Het laatste chromosomenpaar bepaald dus het geslacht. 

Het laatste chromosomenpaar is het 23e paar.

XX= meisje
XY = jongen

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Maar hoe wordt nu  bepaald of je een jongen of een meisje wordt?

Slide 21 - Tekstslide

Ontstaan geslachtschromosomen
Door Meiose worden eicellen en spermacellen gemaakt met daarin 23 chromosomen.

De chromosomen van een paar worden uit elkaar gehaald. Dus ook de geslachtschromosomen.

-> In eicellen zit altijd een X-chromosoom

- >In zaadcellen zit of een X-chromosoom of een y-chromosoom

Slide 22 - Tekstslide



De geslachtscellen hebben dus maar de helft van het aantal chromosomen!!!

Slide 23 - Tekstslide

van ieder paar 1

Slide 24 - Tekstslide

0

Slide 25 - Video

Ontstaan geslacht
Door Bevruchting.

De eicel en zaadcel versmelten. Twee geslachtschromosomen komen samen.

X-chromosoom + X-chromosoom = vrouw
X-chromosoom + y-chromosoom = man

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

0

Slide 28 - Video

Hoe ontstaan geslachtschromosomen
A
Meiose
B
Mitose

Slide 29 - Quizvraag

Aantekeningen
Geslachtscellen: Het ontstaan van eicellen en zaadcellen verloopt door reductiedeling, ook wel meiose genoemd. Tijdens de meiose worden de chromosomen paren gesplitst. Dus ook de geslachtschromosomen! 

Geslachtschromosomen: vrouw in elke lichaamscel = XX geslachtschromosoom vrouw in elke eicel= X
                                                               man in elke lichaamscel = XY geslachtschromosomen man in zaadcellen is X OF Y

Bij de bevruchting: Eicel + zaadcel -> bevruchte eicel X + X -> XX Een meisje
                                                                                                                  X + Y -> XY Een jongen

Slide 30 - Tekstslide

maken
Basissof 2
Opdrachten 12 t/m 17 

Slide 31 - Tekstslide

afsluiten met quiz 

Slide 32 - Tekstslide

Een hond heeft 39 chromosomen in zijn geslachtscellen. Hoeveel chromosomen  heeft de Hond in zijn lichaamscellen? Sleep het juiste antwoord. 
39
19
19,5
78

Slide 33 - Sleepvraag

Komen geslachtschromosomen in paren voor in gewone lichaamscellen?
A
ja
B
nee

Slide 34 - Quizvraag

Zie je hier de chromosomen van een lichaamscel van de mens of van een geslachtscel?
A
Gewone lichaamscel
B
Geslachtscel

Slide 35 - Quizvraag

Welke geslachtschromosomen heeft een vrouw?
A
XX
B
XY
C
X
D
Y

Slide 36 - Quizvraag

Welke van de vier beweringen over geslachtschromosomen is juist?
A
Geslachtschromosomen komen voor in alle cellen
B
Geslachtschromosomen komen alleen voor in voortplantingscellen
C
Alle chromosomen in een voortplantingscel zijn geslachtschromosomen
D
Alle chromosomen in alle cellen van de voortplantingsorganen zijn geslachtschromosomen

Slide 37 - Quizvraag

Een geslachtscel bevat een X-chromosoom. Wat voor een geslachtscel kan dit zijn?
A
Een eicel
B
Een zaadcel
C
Een eicel of een zaadcel

Slide 38 - Quizvraag

Een geslachtscel bevat een Y-chromosoom. Wat voor een geslachtscel kan dit zijn?
A
Een eicel
B
Een zaadcel

Slide 39 - Quizvraag

Er wordt een jongetje geboren. Hoe worden de geslachtschromosomen weergegeven die zich bevinden in een kraakbeencel van dit kind?
A
X
B
Y
C
XX
D
XY

Slide 40 - Quizvraag

Hoeveel geslachtschromosomen bevat een bevruchte eicel van een mens?
A
1 chromosoom
B
2 chromosomen

Slide 41 - Quizvraag

Hoeveel chromosomen bevat een bevruchte eicel van een mens?
A
23 chromosomen
B
46 chromosomen

Slide 42 - Quizvraag

Extra uitdaging?

Optie 1: Zoek uit wat een allel is. Begin alvast met een samenvatting met de begrippen die je tot nu toe geleerd hebt. 
Optie 2: extra uitleg bekijken: https://www.npostart.nl/bio-bits/08-11-2012/NPS_1207530#0:0:0
Of bekijken: .htmhttps://biologiepagina.nl/34mavo/3Erfelijkheid/intro.htm

Slide 43 - Tekstslide