IBO 12 V was verzorgen

IBO 12 V: Was verzorgen
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
Dienstverlening en zorgMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

IBO 12 V: Was verzorgen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

VANDAAG
  • Terugblik vorige les
  • IBO 12 was verzorgen

    13:15 - 14:15 les
    14:15 - 14:30 pauze
    14:30 - 15:15 les

Om 15:15 klaar !

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weten jullie nog?
Jullie gooien om de beurt met de dobbelsteen.
Op het blaadje staan verschillende vragen.
Beantwoord de vraag die op het blaadje staat bij het aantal gegooide ogen van de dobbelsteen.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

IBO 12 B: Was verzorgen

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen
Aan het einde van deze les kan ik wasgoed......
  • Sorteren
  • Wassen
  • Drogen
  • Strijken
  • Opvouwen en opbergen

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen
Aan het einde van deze les weet ik......
  • welke soorten textiel er zijn
  • hoe ik etiketten moet lezen
  • hoe ik wasgoed moet sorteren
  • hoe ik moet wassen

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Textiel

Slide 7 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Textiel
Textiel betekent geweven stof dat wordt gebruikt voor kleding, maar natuurlijk ook voor allerlei andere dingen. Denk aan handdoeken, poetsdoeken, gordijnen etc.  Textiel kan gemaakt worden van verschillende materialen. Dit noemen we grondstoffen. Je hebt natuurlijke en kunstmatige grondstoffen. 

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
Werk in tweetallen.
Ga opzoek naar het verschil tussen natuurlijke en plantaardige grondstoffen van textiel.  
Zet de informatie in een verslag of presentatie. 
Geef antwoord op de volgende vragen:
- Wat zijn natuurlijke grondstoffen?
- Wat zijn plantaardige grondstoffen?
- Noem twee voorbeelden van textiel van natuurlijke grondstoffen 
- Noem twee voorbeelden van textiel van plantaardige grondstoffen
- Zoek de eigenschappen op van katoen en hoe je het moet behandelen
- Zoek de eigenschappen op van wol en hoe je het moet behandelen

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kunstmatige grondstoffen
Deze worden gemaakt in een fabriek. We noemen dat ook wel synthetische grondstoffen. Deze zijn goedkoper dan natuurlijke of plantaardige materialen.

Een voorbeeld van deze stoffen zijn viscose en polyester.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Etiketten
Je sorteert altijd de was voordat je gaat wassen op kleur en materiaal. Je kunt niet alles zomaar bij elkaar wassen. Je kijkt altijd naar de etiketten. Er zitten twee soorten etiketten in een textielproduct:
  • Samenstellingsetiket
  • Behandelingsetiket

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samenstellingsetiket
Hierop kun je zien van welk materiaal het product is gemaakt. 


Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Behandelingsetiket
Hier kun je lezen hoe je het product moet wassen, strijken, drogen en reingen.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Symbolen
Er staan symbolen op het behandelingsetiket. Deze vertellen jou op welke manier je het product moet behandelen. Soms moet je een bepaald textielproduct bijvoorbeeld op een lage temperatuur wassen. 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
Kijk eens naar je eigen kledingstuk. Kijk naar de etiketten en geef antwoord op de volgende vragen:

- Waar is het kledingstuk van gemaakt? 
- Hoe moet het kledingstuk gewassen worden?
- Mag je het kledingstuk strijken?

Schrijf dit op je wisbordje.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sorteren
Na het voorbereiden sorteer je het wasgoed.

Waar sorteer je op?

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Sorteren
Sorteer op kleur: witte was, bonte was, donkere was

Sorteer op materiaal: zoals we hebben geleerd worden textielproducten van verschillende materialen gemaakt. Iedere stof moet op een andere manier gewassen worden. De textielproducten die je niet té heet mag wassen (30 graden) of met de hand moet wassen, op een aparte stapel. Dit noemen we 'fijn wasgoed'

Sorteer op temperatuur: Je let op de temperatuur waarop het textielproduct gewassen mag worden. Bij een hoge temperatuur gaan bacterien dood, maar kan het wasgoed wel krimpen. Op het behandelingsetiket staat hoe warm je het product mag wassen.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Algemene regels temperatuur
90 graden: besmet wasgoed door bijvoorbeeld bloed of urine

60 graden: beddengoed, handdoeken, theedoeken, sportkleren en ondergoed

30 - 40 graden: shirts, overhemden, broeken, truien, jurkjes en rokjes

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefening
Jullie werken in groepjes. Ieder groepje krijgt een eigen stapel met wasgoed. Sorteer de was in stapels.
Bereid de was helemaal voor zoals in het filmpje uitgelegd (ritsen etc)

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefening
Er zijn verschillende soorten wasmiddelen die gebruikt worden voor een bepaald soort was. Bijvoorbeeld wasmiddel voor de donkere was. 

In de klas hebben we ook wasmiddel. Schrijf op:
- De naam van het wasmiddel
- Het merk van het wasmiddel
- Waar je het wasmiddel voor gebruikt
- Is het vloeibaar, poedervorm of capsule?

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stappenplan wassen
  1. De wasmachine vullen met de textielproducten. Niet te vol!
  2. Het juiste wasmiddel kiezen
  3. Het wasmiddel in het bakje doen
  4. Het juiste wasprogramma kiezen
  5. Deur sluiten en wasmachine aanzetten 

De meeste wasmachines hebben bovenin een lade met drie bakjes. In welk bakje moet wat?

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bakjes wasmachine
1: is voor voorwasmiddel, dit wordt vooral gebruikt bij vervuilde was.

2: is voor het wasmiddel van de hoofdwas

*: is voor een wasverzachter. Dit middel zorgt ervoor dat stoffen zacht worden. Het zorgt voor een lekkere geur en het is daardoor makkelijker te strijken. Nadelen: product neemt minder vocht op, trekt sneller vuil aan en het is niet goed voor het milieu

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wasmachine
Je hebt gekeken naar de etiketten. De was is gesorteerd op kleur, materiaal en temperatuur. Dan is de volgende stap: wassen! Nu heeft een wasmachine verschillende wasprogramma's

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

IBO 12
Maak opdracht 34 t/m 44


Slide 28 - Tekstslide

Foto wasmachine school programma's
Kledingstukken in bak doen
Oefening
Jullie werken in groepjes. Schrijf van 5 kledingstukken op een blaadje of in een Word document:
- Op hoeveel graden mag het worden gewassen?
- Met welk wasmiddel? Hoeveel?
- Op welk wasprogramma?
- Mag het in de droger?
- Mag je het strijken?
- Met welke andere kledingstukken mag je dit wassen?


Slide 29 - Tekstslide

Foto wasmachine school programma's
Kledingstukken in bak doen
Opdracht
Maak een foto van de programma's van de wasmachine.
Schrijf van ieder programma op wanneer je het gebruikt, voor welke was. 

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stage- opdracht 12

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

VANDAAG
  • Wat weten we nog van vrijdag?
  • Herhaling
  • Oefening
  • Voorbereiding proeve (instructie student)
  • Activiteit vrijdag

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weten jullie nog van de vorige les?

Slide 33 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Dia's nog eens terughalen
De droger
Wanneer de was klaar is dan kun je deze het beste zo snel mogelijk uit de wasmachine halen. Als je de was te lang in de wasmachine laat liggen dan gaat het stinken of schimmelen. Je kunt de was drogen in een droger, ophangen of liggend laten drogen. 

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programma's droger
Strijkdroog -> wanneer je de was gaat strijken. De droger droogt totdat de was licht vochtig is. Strijken gaat beter wanneer de was nog een beetje vochtig is.

Kastdroog -> dit programma gebruik je voor was dat je vaak gebruikt. Dan kun je het direct in de kast opbergen, maar het wordt niet helemaal droog. De was moet dan niet te lang in de kast blijven liggen.

Kastdroog plus -> gebruik je voor wasgoed dat je helemaal droog wilt hebben.

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hangend & liggend drogen
Je kunt was hangend laten drogen op een waslijn, rek of kledinghanger. Klop wasgoed altijd eerst goed uit voordat je het ophangt, dan krijg je minder snel kreuken. Als je een blouse wast kun je deze het beste aan een kledinghanger laten drogen.

Liggend drogen doe je bij kledingstukken die snel van vorm veranderen. Een wollen trui bijvoorbeeld kan erg uitrekken als je deze ophangt. Op het etiket vind je een tekst of symbool dat aangeeft of je het liggend moet laten drogen.




Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Activiteit vrijdag?

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we doen vrijdag?

Slide 39 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies