Ch 5 - par A + B

English around the world
 doelen:

 - Ik ken woorden die te maken hebben met taal
 - Ik ken woorden die te maken hebben met overtuigen
 -  Ik herken en kan samengestelde & complexe zinnen maken
 - Ik herken en kan betrekkelijke bijzinnen maken
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

English around the world
 doelen:

 - Ik ken woorden die te maken hebben met taal
 - Ik ken woorden die te maken hebben met overtuigen
 -  Ik herken en kan samengestelde & complexe zinnen maken
 - Ik herken en kan betrekkelijke bijzinnen maken

Slide 1 - Tekstslide

  •  360.000.000 people speaking English as a first language. 
  • 900.000.000 people speaking Chinese as a first language.



  • Why is English called the Global language when Clearly Chinese is spoken a lot more? 

Slide 2 - Tekstslide

1.200.000.000 people can communicate in English globally. Where Chinese is only spoken in China and only around 
200.000.000 people speak Chinese as a second language.

So that totales up to 1.100.000.000 people who can communicate in Chinese.

Slide 3 - Tekstslide

colony
communicate
customs
global
influence
cosmopolitan

Slide 4 - Sleepvraag

Comparatives & Superlatives

Slide 5 - Tekstslide

Comparatives and superlatives

Slide 6 - Tekstslide

Comparatives & Superlatives






-->Let op! goed, slecht
1x vergroten
2x vergroten
VB
1 lettergreep
+er
 than erachter
+est 
the ervoor

smaller than
the smallest

2 lg eindigend op le-er-ow-y
+er
than erachter 
+est
the ervoor
funnier than
the funniest
2+ lettergrepen
+more ... than

+ the most...
more interesting than
the most interesting

Slide 7 - Tekstslide

For comparatives with 1 syllable you use ...
A
-er
B
more
C
the longer
D
less

Slide 8 - Quizvraag

Comparatives:
My father is ...(nice) than yours.
A
nicer
B
more nice
C
nicest
D
most nice

Slide 9 - Quizvraag

Comparatives:
My dog is ...(scary) than yours.
A
scarier
B
more scary
C
scaryer
D
most scary

Slide 10 - Quizvraag

For comparatives with 3 or more syllables you use ...
A
-er
B
more
C
the longer
D
less

Slide 11 - Quizvraag

Comparatives:
My friend is ...(intelligent) than me.
A
intelligenter
B
more intelligenter
C
more intelligent
D
most intelligent

Slide 12 - Quizvraag