woordenschat: vrije tijd

Vrije tijd 
vaardigheid: schrijven over wat je doet in je vrije tijd
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vrije tijd 
vaardigheid: schrijven over wat je doet in je vrije tijd

Slide 1 - Tekstslide

Woordenschat: vrije tijd

Slide 2 - Tekstslide

Herhalen
vergelijken - vergrotende en overtreffende trap
woordenschat 

Slide 3 - Tekstslide

Jan is ___ dan Piet.
A
groot
B
groter
C
grootst

Slide 4 - Quizvraag

Dit boek is ___ dan dat boek.
A
interessant
B
interessanter
C
interessants

Slide 5 - Quizvraag

Vandaag is het de ___ dag van de week.
A
warm
B
warmer
C
warmste

Slide 6 - Quizvraag

Mijn huis is ___ dan jouw huis.
A
klein
B
kleiner
C
kleinste

Slide 7 - Quizvraag

Een auto is ___ dan een fiets.
A
snel
B
sneller
C
snelst

Slide 8 - Quizvraag

Maandag is de ___ dag voor mij.
A
druk
B
drukker
C
drukste

Slide 9 - Quizvraag

woordenschat

Slide 10 - Tekstslide

Veel mensen zijn ___ met hun leven.
A
moeilijk
B
tevreden
C
bijna
D
weinig

Slide 11 - Quizvraag

Ik ben ___ klaar met mijn huiswerk.
A
minder
B
weinig
C
bijna
D
moeilijk

Slide 12 - Quizvraag

Hij heeft een ___ over het eten in het restaurant.
A
klacht
B
uiterlijk
C
geluk
D
recept

Slide 13 - Quizvraag

Ik heb ___ vrije tijd deze week.
A
weinig
B
bijna
C
blij
D
moeilijk

Slide 14 - Quizvraag

___ hebben vaak veel emoties.
A
De pubers
B
De opleiding
C
De vrienden
D
Het gezin

Slide 15 - Quizvraag

Dit jaar heb ik ___ stress dan vorig jaar.
A
weinig
B
bijna
C
blij
D
minder

Slide 16 - Quizvraag

60 ___ van de studenten is tevreden.
A
jongeren
B
procent
C
geluk
D
cijfer

Slide 17 - Quizvraag

zinnen langer maken

Slide 18 - Tekstslide

Ik doe het voor
Ik kies een woord uit de lijst op blz. 47 --> het cijfer

Wie : ik
wat: het cijfer (van mijn wiskunde toets)
wanneer: vandaag

zin: Ik heb vandaag het cijfer van mijn wiskunde toets gekregen.


Slide 19 - Tekstslide

Nu samen
We kiezen een woord uit de lijst op blz. 47

Slide 20 - Tekstslide

Nu jij
maak 5 lange zinnen 
kies een woord uit de lijst op blz.47 om mee te beginnen

Slide 21 - Tekstslide

Nakijken

laat je zinnen lezen door een klasgenoot
lees zelf ook de zinnen van een klasgenoot

Verbeter foute zinnen

Slide 22 - Tekstslide

Leerdoel – Zinnen langer maken 

Ik kan een korte zin langer maken.
Ik kan extra woorden toevoegen aan een zin.
Ik kan zeggen waar, wanneer of met wie iets gebeurt.

 (A2)Ik kan bijvoeglijke naamwoorden gebruiken
voorbeelden

Kort: Ik woon hier.
Langer: Ik woon hier met mijn familie.

Kort: Hij werkt.
Langer: Hij werkt in een winkel.

Slide 23 - Tekstslide

Schrijf een goede lange zin over wat jij graag doet in je vrije tijd

Slide 24 - Open vraag