Het gouden ei - Les 4 - V3-theorie

V3- Les 4
Theorie
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

V3- Les 4
Theorie

Slide 1 - Tekstslide

Het gouden ei

Literaire begrippen die we gaan toepassen op Het gouden ei:
Blok 1: fictie, non-fictie, realistisch, niet-realistisch
Blok 2: genre, beoordelingswoorden, emotieve/realistische/morele argumenten
Blok 3: hoofdpersonen, bijfiguren en hoe je deze kunt beschrijven
Blok 4: spanning en technieken om spanning op te bouwen, tijd, ruimte
Blok 5: tijd, verteltempo, vertelperspectief, verhaalbegin en verhaaleinde, thema, (leid)motief, moraal



Slide 2 - Tekstslide

Wat is het verschil tussen non-fictie en realistisch?

Slide 3 - Open vraag

Welke beoordelingswoord(en) gebruik je bij realistische argumenten?
A
ongeloofwaardig
B
rechtvaardig
C
herkenbaar
D
asociaal

Slide 4 - Quizvraag

Welke beoordelingswoord(en) gebruik je bij morele argumenten?
A
apart
B
griezelig
C
humoristisch
D
bewonderenswaardig

Slide 5 - Quizvraag

Noem 3 emotieve argumenten.

Slide 6 - Woordweb

Theorie
- emotieve argumenten = argumenten die zeggen wat het verhaal met je doet. (saai, spannend, geheimzinnig)
- realistische argumenten = argumenten die zeggen hoe realistisch je het verhaal vindt.  ( herkenbaar, levensecht) 
- morele argumenten = argumenten die iets zeggen over de keuzes van de personages of de boodschap die de schrijver wil uitdragen. (beleefd, asociaal)

Slide 7 - Tekstslide

De hoofdpersoon is 16 jaar oud.
Dit gaat over:
A
uiterlijk
B
kenmerken
C
karaktereigenschap

Slide 8 - Quizvraag

De hoofdpersoon leer je kennen:
'In april las Lemorne in de krant over een café in Lyon waar illegale wapenhandel was opgerold. Een week later ging hij er heen en kocht een pistool.'blz.54
A
direct
B
indirect

Slide 9 - Quizvraag

Theorie
Informatie over de hoofdpersoon(en):
uiterlijk - kenmerken - karaktereigenschappen

Je kan de personages op verschillende manieren leren kennen:
direct: de schrijver verwerkt de informatie over een personage rechtstreeks in de tekst.
indirect: je moet de informatie zelf afleiden uit wat een personage doet, zegt en denkt of uit wat anderen over hem zeggen of denken.


Slide 10 - Tekstslide

Wat is er met Saskia gebeurd? Met wie is Saskia mee? Waarom is ze met deze persoon meegegaan?
Welke manier van spanning heeft de schrijver hier toegepast?
A
onverwachte wending
B
open plekken
C
cliffhanger
D
gevaarlijke situatie

Slide 11 - Quizvraag

De ontknoping van het verhaal laat op zich wachten.
Welke manier van spanning is hier uitgelegd?
A
cliffhanger
B
open plekken
C
uitstel
D
informatievoorsprong

Slide 12 - Quizvraag

Spanning

Slide 13 - Tekstslide

Welk vertelperspectief weet je door deel 4 uit het boek?
A
ik-vertelperspectief
B
auctoriaal vertelperspectief
C
personaal vertelperspectief

Slide 14 - Quizvraag

Welk vertelperspectief zou je eerder in het boek gekozen hebben?
A
ik-vertelperspectief
B
auctoriaal vertelperspectief
C
personaal vertelperspectief

Slide 15 - Quizvraag

Einde les 4
- verder met de film

Slide 16 - Tekstslide