H3 GL6E (ma journée)

Havo 3 Frans periode 4
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Havo 3 Frans periode 4

Slide 1 - Tekstslide

Doelen- en toetsoverzicht periode 3
Aan het eind van deze periode kan ik:
1. de woorden en zinnen die te maken hebben met vrije tijd/ sport; communicatie; gevoelens correct vertalen (FN)
2. mijzelf schriftelijk voorstellen en schrijven over mijn gewoontes (hoe laat ik opsta, naar school ga, etc), hobby's, baantjes en karakter
3. een hoofdzin in een logische/ correcte volgorde opschrijven
4. de regelmatige werkwoorden op -er, -ir, en -re correct gebruiken in de présent, de passé composé, de imparfait en de futur simple en de onregelmatige werkwooden être, avoir, faire, aller en venir
5. het delend lidwoord correct gebruiken
6. uit korte, eenvoudige teksten de belangrijkste informatie benoemen. De teksten gaan over vertrouwde onderwerpen in alledaagse taal. Dewoordenschat bestaat uit wooden die veel voorkomen. Het niveau is A2 (ERK)
1. SO week 21


2, 3 SCHRIJFTOETS week 25
3. la phrase du cours
4. SO week 22



2 t/m 6
REPETITIE week 26

Slide 2 - Tekstslide

  • planner op papier én LB
  • 2 lessen per week

Slide 3 - Tekstslide

Wat doen we vandaag?
Ik kan ...
2. mijzelf schriftelijk voorstellen en schrijven over mijn gewoontes (hoe laat ik opsta, naar school ga, etc), hobby's, baantjes en karakter (=vocabulaire) 
3. een hoofdzin in een logische/ correcte volgorde opschrijven
4a. de regelmatige werkwoorden op -er, -ir, en -re correct gebruiken in de présent, de passé composé, de imparfait en de futur simple en être/ avoir/faire/venir/aller

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Wat valt op?
Hoe vul je deze tabel aan? (kopieer format van LB)
wat is wat ook alweer?
dus ... vertaal ...
(=komen)

Slide 6 - Tekstslide

Wat valt op?
Hoe vul je deze tabel aan? (kopieer format van LB)
wat is wat ook alweer?
dus ... vertaal ...
(=gaan)

Slide 7 - Tekstslide

il est ....
A
une heure et demie
B
deux heures
C
deux heures et demie
D
une heure

Slide 8 - Quizvraag

il est ....
A
huit heures et demie
B
neuf heures moins demie
C
neuf heures
D
huit heures

Slide 9 - Quizvraag

il est ....
A
midi moins le quart
B
onze heures moins le quart
C
onze heures et quart
D
onze heures et quinze

Slide 10 - Quizvraag

il est ....
A
six heures et quart
B
six heures moins le quart
C
sept heures et quart
D
sept heures moins le quart

Slide 11 - Quizvraag

ma journée
  • Tu te lèves à quelle heure?
  • Tu te douches à quelle heure?
  • Tu t'habilles à quelle heure?
  • Tu prends ton petit déjeuner à quelle heure?
  • Tu pars à l'école à quelle heure?
  • Tu rentres à quelle heure?
  • Tu te couches à quelle heure?
wat valt je op bij deze werkwoorden?
Geef antwoord, let op de vervoeging!

Slide 12 - Tekstslide

Tu te lèves à quelle heure?
Tu te douches à quelle heure?
Tu t'habilles à quelle heure?
Tu prends ton petit déjeuner à quelle heure?
Tu pars à l'école à quelle heure?
Tu rentres à quelle heure?
Tu te couches à quelle heure?

Slide 13 - Open vraag

La phrase du cours*
Ik sta op om 7 uur, (ik) kleed me aan en ik vertrek om 8 uur. School begint om half 9 en eindigt om kwart voor vier.

(GL6ABEF + le cahier de verbes; beginnen = commencer; school = l'école; om = à)




*Iedere les een nieuwe zin om te vertalen

Slide 14 - Tekstslide

Vertaal:
School eindigt om kwart voor vier (GL6ABEF) om = à

Slide 15 - Open vraag

c'est en forgeant on devient forgeron

Slide 16 - Tekstslide

Au travail: les devoirs 
Faire (maken): 
  • vlog Luik ingeleverd? (via LB)
  • Grandes Lignes 6E (ex. 19 kijken, 20, 21)
  • la phrase du cours 4
  • cahier de verbes venir
Apprendre (leren):
  • examenidioom 7, 8, 9 (SO week 21)
  • Grandes Lignes 6ABEH 
  • cahier de verbes (cdv) -er, -ir, -re, avoir, être, faire, venir (SO week 22)
Werk zachtjes, 
zodat iedereen zich kan concentreren
vraag zoveel mogelijk om hulp!
3. een hoofdzin in een logische/ correcte volgorde opschrijven
4a. de regelmatige werkwoorden op -er, -ir, en -re correct gebruiken in de présent, de passé composé, de imparfait en de futur simple
nog toetsen in te halen?

Slide 17 - Tekstslide

doel bereikt?
doel 1 luistervaardigheid
een gesprek over het thema eten (A2-niveau) begrijpen: Ik kan vragen over dit gesprek correct beantwoorden
Ik kan ...
2. mijzelf schriftelijk voorstellen en schrijven over mijn gewoontes (hoe laat ik opsta, naar school ga, etc), hobby's, baantjes en karakter (=vocabulaire)
3. een hoofdzin in een logische/ correcte volgorde opschrijven
4a. de regelmatige werkwoorden op -er, -ir, en -re correct gebruiken in de présent, de passé composé, de imparfait en de futur simple en avoir/ être/ faire/ venir/ aller

Slide 18 - Tekstslide

Au revoir!

Slide 19 - Tekstslide