Leerjaar 2 indirecte reden, directe reden (aanhalingstekens)

1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel

  • Je kunt aanhalingstekens op de juiste plek in een zin
      plaatsen.

Slide 2 - Tekstslide

directe rede
Je gebruikt aanhalingstekens als je de directe rede gebruikt. Je geeft dan iemands woorden letterlijk weer. Dat heet ook wel ‘citeren’. 

Slide 3 - Tekstslide

directe rede
Om het citaat zelf zet je aanhalingstekens. Je kondigt het citaat aan met een dubbele punt:
Vader zei: ‘Ik zal de barbecue alvast even aansteken.’

Als het citaat vooropstaat, gebruik je geen dubbele punt.
‘Ik zal de barbecue alvast even aansteken’, zei vader.


Slide 4 - Tekstslide

indirecte rede
Je kunt iemands woorden ook weergeven in de indirecte rede. Dan gebruik je geen aanhalingstekens en geen dubbele punt. In de indirecte rede veranderen vaak het onderwerp en het gezegde, vergeleken met de originele zin.


Slide 5 - Tekstslide

indirecte rede
– directe rede: 
Vader zei: ‘Ik zal de barbecue alvast even aansteken.’

– indirecte rede: 
Vader zei dat hij de barbecue alvast even zou aansteken.


Slide 6 - Tekstslide

Indirecte rede
Directe rede
Het is heel erg koud vandaag!
Linde zei dat ze er geen zin in had.
Volgens Rosanne heeft het gevroren
Ik ga straks gamen

Slide 7 - Sleepvraag

Welke zin staat er in de directe rede?
A
Mijn vader zegt dat hij morgen thuiskomt.
B
Mijn moeder roept: 'Kom direct thuis!'
C
Het meisje vertelt mij dat ze morgen jarig is.
D
Simon vertelde mij dat hij gister ziek was.

Slide 8 - Quizvraag

Welke zin staat in de indirecte rede?
A
Hij vroeg of hij me kon helpen.
B
Hij vroeg: "Kan ik u helpen?"

Slide 9 - Quizvraag

Bij welke zin is de directe rede goed gebruikt?
A
Jan zei dat hij ziek was.
B
Jan zei: dat hij ziek was.
C
Jan zei: "Ik ben ziek."
D
"Jan zei ik ben ziek"

Slide 10 - Quizvraag

Goed of fout geschreven?
Mijn broertje riep: "Ik ga in de sneeuw spelen!"
A
Goed
B
Fout

Slide 11 - Quizvraag

Mijn broertje riep: "Ik ga in de sneeuw spelen!"

= dubbele punt voor een citaat
+ aanhalingstekens

Slide 12 - Tekstslide

Aanhalingstekens
  • Directe rede
     = precies wat iemand letterlijk zegt


    De weerman zei: "Volgend weekend kunnen we schaatsen."
    "Volgend weekend kunnen we schaatsen", zei de weerman.
    "Volgend weekend", zei de weerman, "kunnen we schaatsen."

Slide 13 - Tekstslide

Denk om de hoofdletters en leestekens!
De weerman zei: "Volgend weekend kunnen we schaatsen."
"Volgend weekend kunnen we schaatsen", zei de weerman.
"Volgend weekend", zei de weerman, "kunnen we schaatsen."

Slide 14 - Tekstslide

Verschillende aanhalingstekens
De weerman zei: 'Volgend weekend kunnen we schaatsen.'
'Volgend weekend kunnen we schaatsen', zei de weerman.
'Volgend weekend', zei de weerman, 'kunnen we schaatsen.'

Slide 15 - Tekstslide

Geen aanhalingstekens
  • Indirecte rede 
     = aangeven wat iemand zegt, maar niet
         letterlijk
  • citaat

    De weerman zei dat we volgende weekend kunnen schaatsen.

Slide 16 - Tekstslide


Mijn vader vroeg waarom ik mijn huiswerk niet heb gemaakt.
Mijn vader vroeg: 'Waarom heb je je huiswerk niet gemaakt?'
Ik zeg dat je op moet schieten.
Ik zeg: 'Je moet opschieten.'
De meester zegt dat je je gymspullen moet pakken.
De meester zegt:'Je moet je gymspullen pakken.'
Mijn vriendin roept dat de taart klaar is.
Mijn vriendin roept:'De taart is klaar.'

Slide 17 - Tekstslide

Directe rede of indirecte rede?
"Ik moet eerst mijn schaatsen laten slijpen", zei m'n moeder.
A
directe rede
B
indirecte rede

Slide 18 - Quizvraag

Directe rede of indirecte rede?
Mijn vader vroeg waarom ze dat nog niet gedaan had.
A
directe rede
B
indirecte rede

Slide 19 - Quizvraag


Mijn vader vroeg waarom ik mijn huiswerk niet heb gemaakt.
Mijn vader vroeg: 'Waarom heb je je huiswerk niet gemaakt?'
Ik zeg dat je op moet schieten.
Ik zeg: 'Je moet opschieten.'

Slide 20 - Open vraag

Slide 21 - Tekstslide

Mijn broer zegt dat Ali een 10 voor taal heeft.

Slide 22 - Open vraag

Mijn zus roept dat het eten klaar is.

Slide 23 - Open vraag

De juf schreeuwt dat iedereen moet komen.

Slide 24 - Open vraag

De juf schreeuwt dat iedereen moet komen.

Slide 25 - Open vraag

Schrijf nu een zin op met:
- twee PV's naast elkaar
(denk ook om hoofdletters en punten)

Slide 26 - Open vraag

Schrijf nu een zin op met:
- een dubbele punt erin
(denk ook om hoofdletters en punten)

Slide 27 - Open vraag

Schrijf nu een zin op met:
- een citaat erin
(denk ook om hoofdletters en punten)

Slide 28 - Open vraag