H2 les 1

Ziel: Lernen wie man andere Personen und Dinge beschreiben kann z.B. die Familie.
1. Overzicht leerstof 
2. Geslacht onbepaald lidwoord + bezittelijk vnw.
3. Test leerstof
4. Rollenspel, schrift, huiswerk
1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 3

In deze les zitten 10 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Ziel: Lernen wie man andere Personen und Dinge beschreiben kann z.B. die Familie.
1. Overzicht leerstof 
2. Geslacht onbepaald lidwoord + bezittelijk vnw.
3. Test leerstof
4. Rollenspel, schrift, huiswerk

Slide 1 - Tekstslide

Overzicht leerstof deel 1
1. Ik ken 7 zinnen Klassendeutsch
2. Persoonlijk voornaamwoord. ( ik, jij, hij, zij, het, men/wie, wij, jullie, zij, u)
3. Werkwoorden haben, sein, machen/spielen, heißen, (ook voltooid deelwoord)
4. De basiswoordenlijst (t/m 30 nu)
5. Ik kan zelfstandig notities maken in mijn schrift en een rollenspel maken

Slide 2 - Tekstslide

Overzicht leerstof deel 2
5. Vragend voornaamwoord (wie, wat, waar, waar vandaan, waarom, wanneer, hoe)
6. Landen schrijven: Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland
7. Getallen t/m 20 
8. Geslacht bepalen bepaald lidwoord ( der, die, das) 

Slide 3 - Tekstslide

Overzicht leerstof week 38, 39, 40


9. Geslacht bepalen onbepaald lidwoord en bezittelijk voornaamwoord ( ein, kein, sein etc.)
10. weekdagen
11. Meervoud maken (regels) 
12. Klankenlijst/ uitspraak --> leestekst en alfabet
13.Belangrijke diernamen + eten en drinken
14. Briefje schrijven (gebruik basiswoordenlijst en overige leerstof deze periode)
15. Opdrachten maken met de leerstof (herhaling met opdrachtenpakket)
16. PO-taak

Slide 4 - Tekstslide

Getallen

Slide 5 - Tekstslide

Weekdagen (zijn mannelijk)
Maandag        =       der Montag
dinsdag          =        der Dienstag
woensdag      =       der Mittwoch
donderdag    =        der Donnerstag
vrijdag             =        der Freitag
zaterdag        =         der Samstag
zondag          =          der Sonntag

Slide 6 - Tekstslide

Geslacht en uitgang
 Onderwerp = 1e naamval    (bepaald = de,  onbepaald = een)
de man --> der Mann --->  ein Mann ---> kein Mann ( geen man)   männlich
de vrouw --> die Frau -->  eine Frau --> keine Frau (geen vrouw)    weiblich
het kind --> das Kind --> ein Kind --> kein Kind ( geen kind)             sächlich
Bezittelijk voornaamwoord = zelfde uitgang als 'ein-vorm'
mijn = mein-                   zijn = sein-              ons,onze = unser-             hun = ihr-
jouw/je = dein-              haar = ihr-                 jullie = euer-                        uw = Ihr-

Slide 7 - Tekstslide

Vul in (ergänzen)
1. ....... Mann (haar)
2. ....... Mutter (jullie)
3. ........... Kind (uw)
4......... Katze (een)
5. ......... Haus (het)

Slide 8 - Tekstslide

Test 
1. Ik ken 7 zinnen Klassendeutsch
2. Persoonlijk voornaamwoord. ( ik, jij, hij, zij, het, men/wie, wij, jullie, zij, u)
3. Werkwoorden haben, sein, machen/spielen, heißen, (ook voltooid deelwoord)
4. De basiswoordenlijst (t/m 30 nu)

Slide 9 - Tekstslide

Controle Rollenspel en schrift!

Welke groepje presenteert?
Hausaufgaben di 28-09

Leren:
1. Vragend voornaamwoord (wie, wat, waar, waar vandaan, waarom, wanneer, hoe)
2. Landen schrijven: Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland
3. Getallen t/m 20
4. Regels geslacht, lidwoorden der, ein, bezittelijk vnw.
5. Basiswoordenlijst t/m 40

Slide 10 - Tekstslide