Spelling herhaling

Herhalingsles
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Herhalingsles

Slide 1 - Tekstslide

Deze les
- Terugblik spellingsregels
- Lesdoel
- Uitleg
- startopdracht
- Zelfstandig werken
- Afsluiting

Slide 2 - Tekstslide

... zit ik vaak op de bank, voor de televisie.
A
's avonds
B
s' avonds
C
s-avonds
D
savonds

Slide 3 - Quizvraag

Ik heb verschillende werkbladen ...
A
gekopieërd
B
gekopierd
C
gekopieerd
D
gekopiërd

Slide 4 - Quizvraag

... bezoekers waren hun kaartje vergeten.
A
enkele
B
enkelen

Slide 5 - Quizvraag

... zijn thuisgebleven vanwege het slechte weer.
A
sommige
B
sommigen

Slide 6 - Quizvraag

Ik woon nu op huisnummer ...
A
negentien
B
19

Slide 7 - Quizvraag

Het is vandaag ... graden Celcius.
A
negentien
B
19

Slide 8 - Quizvraag

In de kerk hangt een nieuw ...
A
glasinloodraam
B
glas-in-loodraam
C
glasin-loodraam
D
glas-in-lood-raam

Slide 9 - Quizvraag

Voor de wintersportvakantie kocht ik een nieuwe ...
A
skijas
B
ski-jas

Slide 10 - Quizvraag

Type de volgende zin met de juiste leestekens:
Doordat ik Corona heb kan ik niet naar de les komen

Slide 11 - Open vraag

Siem heeft zin in de vakantie. Siem gaat dan samen met Siems ouders een weekje weg. Siems vader heeft Siem verteld dat Siem en de ouders van Siem naar Kreta gaan.

Slide 12 - Tekstslide

Siem heeft zin in de vakantie. Hij gaat dan samen met zijn ouders een weekje weg. Zijn vader heeft hem verteld dat ze naar Kreta gaan.

Slide 13 - Tekstslide

Lesdoel
Aan het einde van deze les kun je uitleggen hoe je verwijswoorden in een tekst kunt gebruiken.

Aan het einde van deze les kun je de regels van werkwoordspelling correct toepassen.  

Slide 14 - Tekstslide

Maak de startopdracht
Je krijgt hier 5 minuten voor. 
onder stap 1 op het werkblad.
timer
5:00

Slide 15 - Tekstslide

Verwijswoorden 
Enkelvoud mannelijk: 
hij, hem, zijn, deze, die

enkelvoud vrouwelijk:
zij, ze, haar, deze, die

enkelvoud, onzijdig:
het, zijn, dit, dat

Meervoud:
Ze, hen, hun, deze, die

De wolf staat in het bos, hij wil weglopen.


De secretaresse komt weer te laat, ze wordt nu aangesproken.

Het tafeltje staat in de weg. Het moet verplaatst worden. 


Jan en Arnout lopen door de stad, ze zijn op zoek naar winkels.

Slide 16 - Tekstslide

Geslacht van een woord
onzijdig: 
het-woorden, namen van landen, provincies, steden en clubs en verkleinwoorden.

vrouwelijk: 
vrouwelijke personen en dieren (secretaresse). De-woorden met als uitgang:
-heid, -nis, -ing, -schap, -st, -te, -de, -ie, -ij, -iek, -theek, -teit, -tuur. 

Slide 17 - Tekstslide

Mannelijk
Vrouwelijk
Onzijdig
Waarheid
meisje
tennisster
Maurice
De stier

Slide 18 - Sleepvraag

Verwijzen met hun/hen
Hun:
meewerkend voorwerp.

Hen:
Lijdend voorwerp en na een voorzetsel.

Lucas' ouders wonen dichtbij en hij bezoekt hen vaak. Hij bezorgt hun dan ook alle post. 

Slide 19 - Tekstslide

Verwijzen met wat
- Naar dat/datgene
Datgene wat ik wil doen
- naar onbepaalde voornaamwoorden
Er is niets wat mij stoort.
- naar een overtreffende trap
Het liefste wat ik doe.
- Naar een hele lange zin
Er stond een lange file voor de brug, wat behoorlijk tegenviel.


Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Wat ga je doen?
Je maakt opdracht 2, 3 en 4 van het werkboekje.

Klaar?
overleg dan de antwoorden met je buurman/buurvrouw. Had je dezelfde antwoorden?

Slide 22 - Tekstslide

Lesdoel
Aan het einde van deze les kun je uitleggen hoe je verwijswoorden in een tekst kunt gebruiken.

Aan het einde van deze les kun je de regels van werkwoordspelling correct toepassen.  

Slide 23 - Tekstslide