Je gaat straks zinnen maken in de voltooide tijd.
Je krijgt woorden, maar de zin is nog niet goed. Het
1e werkwoord, een vorm van ‘hebben’ of ‘zijn’ staat nog
niet bij de woorden.
Alleen het 2e werkwoord staat er al!
Als je de woorden ziet, moet je eerst nadenken of je een vorm van 'hebben' of 'zijn' erbij moet schrijven.
Een voorbeeld:
Je ziet:
'Wij / Efteling / vorig jaar / gaan'.
Je schrijft op:
Wij zijn vorig jaar naar de Efteling gegaan