K3-H4 Nectar

Wat is een prikkel?
A
Een elektrische stroom in een spier
B
Een verandering in de omgeving waarop een zintuig reageert
C
Een signaal dat door spieren wordt afgegeven
D
Een reactie van de hersenen
1 / 25
volgende
Slide 1: Quizvraag
BiologieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 3

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Wat is een prikkel?
A
Een elektrische stroom in een spier
B
Een verandering in de omgeving waarop een zintuig reageert
C
Een signaal dat door spieren wordt afgegeven
D
Een reactie van de hersenen

Slide 1 - Quizvraag

Welke prikkel hoort bij het gehoorzintuig?
A
Licht
B
Smaakstoffen
C
Druk
D
Geluid

Slide 2 - Quizvraag

Welke zintuigen liggen in de huid?
A
Warmte-, koude-, druk- en tastzintuigen
B
Smaak- en geurzintuigen
C
Evenwichtszintuigen
D
Licht- en geluidzintuigen

Slide 3 - Quizvraag

Hoe noem je de prikkel waarvoor een zintuig het gevoeligst is?
A
Drempelwaarde
B
Impuls
C
Adequate prikkel
D
Reflexprikkel

Slide 4 - Quizvraag

Wat gebeurt er als een prikkel zwakker is dan de drempelwaarde?
A
De prikkel wordt versterkt
B
Er ontstaan geen impulsen
C
De prikkel komt sterker binnen
D
De hersenen reageren extra snel

Slide 5 - Quizvraag

Welke volgorde klopt bij de weg van een impuls?
A
Zintuig → schakelcel → hersenen
B
Hersenen → spier → zintuig
C
Spier → zintuig → hersenen
D
Schakelcel → zintuig → hersenen

Slide 6 - Quizvraag

Waar bevinden zich de zintuigcellen voor licht?
A
Lens
B
Iris
C
Netvlies
D
Glasachtig lichaam

Slide 7 - Quizvraag

Wat is de functie van de pupil?
A
Vormt een beeld
B
Regelt de hoeveelheid licht die binnenkomt
C
Maakt traanvocht
D
Beschermt tegen druk

Slide 8 - Quizvraag

Wat gebeurt er met de pupil bij veel licht?
A
Wordt groter
B
Wordt kleiner
C
Blijft hetzelfde
D
Verdwijnt tijdelijk

Slide 9 - Quizvraag

Welke spieren maken de pupil groter?
A
Lengtespieren
B
Kringspieren
C
Oogspieren
D
Accommodatiespieren

Slide 10 - Quizvraag

Waarvoor dienen de kegeltjes?
A
Zien in het donker
B
Zien van bewegingen
C
Zien van kleuren
D
Regelen van de pupil

Slide 11 - Quizvraag

Waarvoor dienen de staafjes?
A
Scherpstellen
B
Kleurzien
C
Beschermen tegen fel licht
D
Zien bij weinig licht

Slide 12 - Quizvraag

Hoe heet het scherpstellen van de lens?
A
Reflectie
B
Pupillering
C
Accommodatie
D
Focusreactie

Slide 13 - Quizvraag

Welke volgorde hoort bij de weg van geluid?
A
Trommelvlies → gehoorbeentjes → slakkenhuis
B
Slakkenhuis → trommelvlies → gehoorbeentjes
C
Oorschelp → slakkenhuis → trommelvlies
D
Gehoorbeentjes → trommelvlies → slakkenhuis

Slide 14 - Quizvraag

Waar worden geluidstrillingen omgezet in impulsen?
A
Oorschelp
B
Trommelvlies
C
Gehoorbeentjes
D
Slakkenhuis

Slide 15 - Quizvraag

Waar liggen de reukzintuigen?
A
Hele neuswand
B
Boven in de neusholte
C
Op het neustussenschot
D
Aan de ingang van de neus

Slide 16 - Quizvraag

Waarom proef je minder goed als je verkouden bent?
A
Smaakpapillen werken slechter
B
Tong zwelt op
C
Reukzintuigen worden minder bereikt
D
Hersenen reageren trager

Slide 17 - Quizvraag

Welke delen horen bij het centrale zenuwstelsel?
A
Hersenen en ruggenmerg
B
Hersenen en zenuwen
C
Zenuwen en spieren
D
Ruggenmerg en zintuigen

Slide 18 - Quizvraag

Welke zenuwcel brengt impulsen van zintuigen naar Centraal zenuwstelsel?
A
Bewegingszenuwcel
B
Schakelcel
C
Gevoelszenuwcel
D
Tankcel

Slide 19 - Quizvraag

Waar liggen schakelzenuwcellen?
A
In de huid
B
In hersenen en ruggenmerg
C
In spieren
D
In het hart

Slide 20 - Quizvraag

Wat is een reflex?
A
Bewuste beweging
B
Onbewuste beweging
C
Geplande reactie
D
Reactie in de grote hersenen

Slide 21 - Quizvraag

Via welk deel verlopen reflexen van armen en benen?
A
Grote hersenen
B
Kleine hersenen
C
Ruggenmerg
D
Hersenstam

Slide 22 - Quizvraag

Welk hormoon zorgt voor snelle actie?
A
Insuline
B
Schildklierhormoon
C
Adrenaline
D
Oestrogeen

Slide 23 - Quizvraag

Wat is een kenmerk van hormonen?
A
Werken alleen in de hersenen
B
Werken direct op spieren
C
Zijn gasvormig
D
Ze reizen via het bloed

Slide 24 - Quizvraag

Welke klier maakt insuline?
A
Schildklier
B
Hypofyse
C
Alvleesklier
D
Eierstokken

Slide 25 - Quizvraag