LG3 - Arbeidsrecht en arbeidsovereenkomsten

1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
PersoneelsbeleidMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Slide 3 - Tekstslide

Drie eisen voor een arbeidscontract. Welke hoort er niet bij?
A
Werk moet persoonlijk verricht worden
B
Er moet loon betaald worden
C
Er moet sprake zijn van een gezagsverhouding
D
Het moet schriftelijk worden vastgelegd

Slide 4 - Quizvraag

Werkgever en werknemer mogen afspraken maken die afwijken van de CAO of de wet.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quizvraag

De Horeca CAO is door de minister Algemeen Bindend verklaard. Wat houdt dit in?

Slide 6 - Open vraag

Slide 7 - Tekstslide

Welk contract wordt in de volksmond ook wel het 'vast contact' genoemd?
A
Fulltime contract
B
Parttime contract
C
Contract voor onbepaalde tijd
D
Contract voor bepaalde tijd

Slide 8 - Quizvraag

Bij hoeveel uur per week werken spreken we ook wel van een fulltime contract?

Slide 9 - Open vraag

Waarom is het belangrijk om te weten of er wel/geen sprake is van een arbeidsovereenkomst?

Slide 10 - Open vraag

Slide 11 - Tekstslide

Noem een nadeel voor de werkgever voor het geven van een 'vast contract'

Slide 12 - Open vraag

Marleen heeft een nulurencontract. Ze heeft het afgelopen jaar telkens 12 uur per week gewerkt. Marleen breekt haar been. Heeft zij nu recht op loondoorbetaling?
A
Ja
B
Nee

Slide 13 - Quizvraag

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Werkt er iemand in de klas voor een payrollbedrijf?
JA
NEE

Slide 16 - Poll

Slide 17 - Video

Slide 18 - Tekstslide

Iemand die zich weleens als ZZP-er verhuurd?
JA
NEE

Slide 19 - Poll

Slide 20 - Tekstslide

Stel je bent een goede Kok. Waarom zou jij jezelf verhuren als ZZP-er?

Slide 21 - Open vraag

Waarom zou je jezelf NIET
als ZZP-er verhuren?

Slide 22 - Woordweb

Slide 23 - Tekstslide

Welk contract heb jij bij je werkgever?

Slide 24 - Woordweb

Welke medewerker hoeft de horecaondernemer niet door te betalen als deze ziek is
A
medewerker via payrollbedrijf
B
medewerker met parttime contract
C
medewerker met nulurencontract maar met arbeidsverleden
D
medewerker via overeenkomst van opdracht

Slide 25 - Quizvraag

Bij welke arbeidsrelatie loopt de horecaondernemer het meeste risico?
A
contract voor bepaalde tijd
B
contract voor onbepaalde tijd
C
werk via opdracht van overeenkomst
D
werknemer via het payrollbedrijf

Slide 26 - Quizvraag

Gedeelte uit een arbeidsovereenkomst:

Slide 27 - Tekstslide

Het gaat hierbij om een contract voor ....
A
bepaalde tijd
B
onbepaalde tijd

Slide 28 - Quizvraag

Gedeelte uit een arbeidsovereenkomst:

Slide 29 - Tekstslide

Als er geen werk is, hoeveel uur moet de horecaondernemer deze werknemer minimaal uitbetalen? (vul een getal in)

Slide 30 - Open vraag

Gedeelte uit een arbeidsovereenkomst:

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Link

Welk woord moet er op de zwarte balken staan?
A
aanzegtermijn
B
opzegtermijn
C
concurrentiebeding
D
proeftijd

Slide 35 - Quizvraag

Hoelang mag de proeftijd zijn bij een contract voor bepaalde tijd van een half jaar?
A
mag geen proeftijd bevatten
B
1 maand
C
2 maanden
D
maakt niet uit

Slide 36 - Quizvraag

Hoelang mag de proeftijd zijn bij een jaarcontract?
A
mag geen proeftijd bevatten
B
1 maand
C
2 maanden
D
maakt niet uit

Slide 37 - Quizvraag

gedeelte uit een arbeidsovereenkomst:

Slide 38 - Tekstslide

Hoeveel bedraagt het vakantiegeld?
A
5% van het brutoloon
B
6% van het brutoloon
C
7% van het brutoloon
D
8% van het brutoloon

Slide 39 - Quizvraag

Weet je ook in welke maand het vakantiegeld (meestal) wordt uitgekeerd?
A
april
B
mei
C
juni
D
juli

Slide 40 - Quizvraag

Wat zou je nog willen weten over arbeidsovereenkomsten?

Slide 41 - Woordweb

Slide 42 - Link

Wat heb je geleerd over arbeidsrecht?

Slide 43 - Woordweb