Socialisatie en identiteit (Maatschappijwetenschappen vwo), les 2: Examentraining

VORMING · SOCIALISATIE

Examentraining

Socialisatie en identiteit: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining op vwo-niveau: een concept toepassen op een nieuwe casus, verbanden leggen, identiteit analyseren en een bron of onderzoek beoordelen, inclusief procent en procentpunt.

Onderdelen in deze les

VORMING · SOCIALISATIE

Examentraining

Socialisatie en identiteit: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Oscar del Pozo / Europese Commissie, Audiovisual Service / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

VORMING · SOCIALISATIE

Wat ga je kunnen?

Ik kan concepten toepassen op een nieuwe casus, verbanden leggen, identiteiten analyseren en een bron of onderzoek beoordelen.

Deze slide heeft geen instructies

VORMING · SOCIALISATIE

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat vraagt de vraag: noem, leg uit, verklaar, beoordeel of leg een verband?

  • 2. Zoek: welk concept of welke eigenschap zit in de casus of bron? Onderstreep de aanwijzing.

  • 3. Maak concreet: haal een gegeven uit de casus en koppel het aan de omschrijving van het concept.

  • 4. Schrijf: concept, aanwijzing uit de casus, conclusie. Alleen een definitie is te weinig.

Deze slide heeft geen instructies

VORMING · SOCIALISATIE

Vraagtype 1: een concept toepassen

  • Je krijgt een korte casus in een nieuwe context en moet een kernconcept herkennen.

  • Reproduceren is niet genoeg: maak het concept concreet in de casus (recontextualiseren).

  • Schrijf: het concept, de aanwijzing uit de casus, de koppeling.

Syllabus A2: in het centraal examen worden hoofd- en kernconcepten toegepast op bekende en nieuwe contexten. Veelgemaakte fout: de definitie opschrijven zonder naar de casus te verwijzen.

Mila (23) leert als stagiaire in Tokio groeten met een buiging. Welk begrip past?

A

Enculturatie

B

Primaire socialisatie

C

Tertiaire socialisatie

D

Acculturatie

Syllabus 4.1: Mila is al in een andere cultuur gevormd en verwerft elementen van een andere cultuur: acculturatie. Verwachte fout: enculturatie, omdat het om aanleren van gebruiken gaat; maar dat is de cultuur waarin je geboren wordt.

Tessa leert van streamers: welk niveau?

Goed antwoord: tertiaire socialisatie, want de streamers zijn anonieme socialisatoren in de media met wie Tessa geen directe band heeft; de overdracht is impliciet. Verwachte fout: primaire socialisatie noemen omdat Tessa veel tijd met de streamers doorbrengt.

VORMING · SOCIALISATIE

Vraagtype 2: verbanden leggen

  • Je legt een verband tussen concepten: kapitaal, socialisatie en sociale ongelijkheid.

  • Ga na: wie geeft welk kapitaal door, via welke socialisator en met welk gevolg?

  • Eindig met het gevolg, bijvoorbeeld sociaal overgeërfde opleidingsverschillen.

Syllabus A2 (verbanden leggen) en 4.1: kapitaal speelt een rol tijdens de socialisatie en leidt tot duurzame verschillen tussen sociale klassen. Veelgemaakte fout: alleen het begrip noemen zonder de keten uit te leggen.

Ouders nemen hun kind vaak mee naar musea. Wat verwerft het kind daardoor?

A

Economisch kapitaal in de vorm van een hoger inkomen

B

Sociaal kapitaal in de vorm van een groot netwerk

C

Een externe collectieve identiteit van buitenstaanders

D

Cultureel kapitaal, dat bij hoge sociale posities past

Syllabus 4.1: kennis, houdingen en smaak zijn cultureel kapitaal. Verwachte fout: sociaal kapitaal kiezen omdat de ouders erbij zijn; maar het gaat om kennis en smaak.

Hoe houdt kapitaal sociale klassen in stand?

Goed antwoord: ouders geven economisch, sociaal en cultureel kapitaal door via socialisatie; kinderen krijgen daardoor verschillende kansen in opleiding, die deels sociaal wordt overgeërfd; zo ontstaan duurzame verschillen tussen klassen. Verwachte fout: alleen noemen dat rijke ouders meer geld hebben.

VORMING · SOCIALISATIE

Vraagtype 3: identiteit analyseren

  • Bepaal welke identiteit het is: persoonlijk, sociaal, intern of extern collectief.

  • Vraag je af: wie kijkt er? Jijzelf, jij als lid van een groep, de groep zelf of buitenstaanders?

  • Zoek ook naar spanning: botst een beeld van buiten met zelfbeeld, of botsen groepen?

Syllabus 4.3: onderscheid tussen persoonlijke, sociale en collectieve identiteit (intern en extern) en de spanningen daartussen. Veelgemaakte fout: een extern label zien als de identiteit van elk lid.

Rik, Rotterdammer, is zachtaardig. Collega's noemen Rotterdammers ruw. Wat speelt?

A

Spanning tussen primaire en secundaire socialisatie

B

Externe collectieve identiteit botst met persoonlijke

C

Loyaliteitsconflict tussen twee groepen van Rik

D

Spanning tussen enculturatie en acculturatie

Syllabus 4.3: tussen externe collectieve identiteit en persoonlijke identiteit kunnen spanningen bestaan als iemand zich niet identificeert met het beeld van anderen. Verwachte fout: loyaliteitsconflict; dat gaat over botsende groepslidmaatschappen, hier gaat het om een label van buiten.

Team en gezin eisen Dana op. Welk conflict?

Goed antwoord: een loyaliteitsconflict, want Dana is lid van meerdere groepen (team en gezin) die allebei een beroep op haar doen en haar overlappende identiteiten botsen. Verwachte fout: spanning met een externe collectieve identiteit noemen; er is geen label van buitenstaanders.

VORMING · SOCIALISATIE

Vraagtype 4: een bron beoordelen

  • Bron: objectief (feiten, geen meningen), betrouwbaar (gedegen, controleerbaar, bevestigd) en representatief.

  • Onderzoek: betrouwbaar (kleine meetfouten), intern valide (meet wat het moet meten), extern valide (generaliseerbaar).

  • Een steekproef is representatief als iedereen uit de populatie evenveel kans had om mee te doen.

  • Let op procent en procentpunt: van 20 naar 30 procent is 10 procentpunten, maar 50 procent meer.

Syllabus A1 en A3.1/A3.3: objectiviteit, betrouwbaarheid en representativiteit van bronnen; betrouwbaarheid, interne en externe validiteit van onderzoek; het verschil tussen procenten en procentpunten (een toename van 20 procent is iets anders dan 20 procentpunten). Veelgemaakte fout: percentages en procentpunten door elkaar halen, of alleen zeggen dat een bron 'niet waar' lijkt.

Het aandeel leerlingen met een eigen kanaal steeg van 20 naar 30 procent. Wat klopt?

A

Een stijging van 10 procent, dat is 10 procentpunten meer

B

Een stijging van 50 procentpunten, dat is 10 procent meer

C

Een stijging van 10 procentpunten, dat is 50 procent meer

D

Een stijging van 30 procentpunten, dat is 20 procent meer

Syllabus A3.3: het verschil is 10 procentpunten; 10 is de helft van 20, dus 50 procent meer. Verwachte fout: procent en procentpunt omwisselen.

Blog zonder bronnen: welk criterium faalt?

Goed antwoord: betrouwbaarheid, want de informatie is niet controleerbaar (geen kwaliteitscontrole, onduidelijk waarop ze berust) en niet door andere bronnen bevestigd. Verwachte fout: representativiteit noemen zonder uit te leggen waarom, of zeggen dat de bron 'niet waar' is.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Een concept toepassen

2

Verbanden leggen

3

Identiteit analyseren

4

Een bron beoordelen

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen eerst en laat een leerling de vier stappen voordoen.

VORMING · SOCIALISATIE

Tips voor op het examen

  • Schrijf nooit alleen de definitie op: koppel het concept altijd aan een gegeven uit de casus.

  • Gebruik de naam van het concept letterlijk en leg uit waarom het past.

  • Bij identiteit: vraag je af wie er kijkt, jijzelf, jij als lid, de groep zelf of buitenstaanders.

  • Procent is niet procentpunt: reken eerst het verschil uit en vergelijk het dan met het beginpercentage.

Deze slide heeft geen instructies