Alle spelling klas 2TH

2TH
Alle spelling (theorie)
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 2

In deze les zitten 12 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

2TH
Alle spelling (theorie)

Slide 1 - Tekstslide

Theorie (1)
  • De punt gebruik je aan het eind van een zin
  • De komma gebruik je
    - tussen twee persoonsvormen (als je wilt, kun je gaan)
    - in een opsomming (we eten appels, peren en bananen)
  • Een uitroepteken gebruik je na een uitroep/bevel
  • Een vraagteken gebruik je na een vraag

Slide 2 - Tekstslide

Theorie (2)
  • Aanhalingstekens gebruik je:
    - bij een citaat ('Waarom doe je dat?', zei mijn moeder)
    - als je een woord speciale aandacht wilt geven (hoe spel je 'synoniem'?)

Lees de tekst voor jezelf om erachter te komen of je leestekens goed staan. 

Slide 3 - Tekstslide

Theorie 
Na een dubbele punt volgt een:
  • opsomming (We gaan vandaag drie dingen doen: lezen, leren en luisteren)
  • uitleg (We weten tegenwoordig veel meer: computers hebben ons slimmer gemaakt)
  • gedachte (Hij dacht: laat ik dat maar niet doen)
  • citaat (Pietje riep: 'Waarom doe je dát nou?')

Let op!
Bij een citaat zie je wél aanhalingstekens en een hoofdletter en bij een gedachte níét!

Slide 4 - Tekstslide

Theorie 
Hoofdletters gebruik je:
- aan het begin van een zin; 
- bij eigennamen (personen, straten, merken, talen, volkeren, aardrijkskundige namen en afleidingen daarvan);
- bij feestdagen en historische gebeurtenissen;

Slide 5 - Tekstslide

Pas op!
Bij de volgende vormen, moet je opletten:
- 's Zomers (aan het begin van de zin)

- een cijfer (aan het begin van de zin)

- mevrouw Van de Heuvel / Jan van de Heuvel / de heer H. van Acht en mevrouw J. van Acht-de Boer

Slide 6 - Tekstslide

Theorie (samenstelling)
Een samenstelling = twee losse woorden aan elkaar geplakt

stoel + poot                         
tafel + kleed
poster + materiaal

Slide 7 - Tekstslide

Theorie (tussen -s)
- gebruik altijd een tussen -s als je die hoort:
jongensboek / stationsrestauratie

- begint woord 2 met een s-klank, verander dat woord dan!
bedrijf + chef --> bedrijf + kat --> bedrijfskat, dus bedrijfschef

Slide 8 - Tekstslide

Theorie (tussen -(e)n)
Basisregel = als het linkerdeel van de samenstelling alléén een
                           meervoud heeft op -(e)n, schrijf dan -(e)n!!

eik + boom                            kat + bak                    
blinde + school                   krant + kop                 
hart + wens                           dakloze + krant
peer + boom                         kip + vel

Slide 9 - Tekstslide

Theorie (uitzonderingen)
Je schrijft géén tussen-(e)n als het eerste woord van de samenstelling:
- geen ZN is       hogeschool, platteland, huilebalk
- geen meervoud heeft     tarwebrood, benzinegeur
- alleen een meervoud op -s heeft    aspergesoep, douchekraan
- een meervoud op -s en op -(e)n heeft       groenteboer, geboortecijfer
- aangeeft hoe groot, goed, leuk, enz. iets is. De samenstelling moet dan in zijn geheel een BN zijn    reuzeleuk, apetrots, beregoed
- uniek is     Koninginnedag, maneschijn, Onze-lieve-Vrouwekerk

Slide 10 - Tekstslide

Theorie (trema)
Een trema gebruik je:
- als je in één woord twee klinkers niet als één klank mag lezen.
ruïne, vacuüm, beïnvloeden, havoër
- in een meervoud van een ZN op -ee
idee - ideeën
- in een meervoud van een ZN op -ie
kopie - kopieën

Slide 11 - Tekstslide

Theorie (apostrof)
Je gebruikt een apostrof:
- bij bezitsaanduidingen van woorden die eindigen op een sis-klank of een lange klinker met één letter
Max' fiets, Anna's puntenslijper
- na cijfers, afkortingen en afleidingen
vmbo'er, A4'tje, mp3'tje
- als één of meerdere letters zijn weggelaten 
's Morgens heb ik 'm nog in 't buurthuis gezien.

Slide 12 - Tekstslide