KWT grammatica en phrases clés Chapitre 5 / 25 FEBRUARI

Vendredi 25 février KWT
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Vendredi 25 février KWT

Slide 1 - Tekstslide

Tips zinnen maken Frans
  • Werkwoorden staan (bijna altijd) bij elkaar
  •  Ik ben ziek geweest   
  • J'ai été malade.
  • Tijdsbepaling voor of achter in de zin:
  • Ik ben gisteren ziek geweest.
  • Hier, j'ai été malade.
  • J'ai été malade hier.

Slide 2 - Tekstslide

Tips zinnen maken Frans
  • Vraagwoorden vooraan of achteraan in de zin.
  • Waarom ben ik gisteren ziek geweest?
  • Pourquoi hier, j'ai été malade? 

Slide 3 - Tekstslide

Volgorde in de zin:
  • (Vraagwoord)
  • (Bijwoord)
  • Onderwerp
  • Werkwoorden (+ ontkenning)
  • Rest van de zin

Slide 4 - Tekstslide

Jij hebt "gehad" =
Jij hebt doorgebracht
A
Tu es passé
B
Tu as passé
C
Tu as passer
D
Tu es passer

Slide 5 - Quizvraag

Heb je een leuk weekend gehad?

Slide 6 - Open vraag

Ik heb een cadeau gehad.
A
J'ai un cadeau eu.
B
Je suis eu un cadeau.
C
Je suis un cadeau eu.
D
J'ai eu un cadeau.

Slide 7 - Quizvraag

Ik heb gisteren een cadeau gehad.
A
J'ai hier eu un cadeau.
B
J'ai eu hier un cadeau.
C
Hier j'ai eu un cadeau.
D
Hier j'ai un cadeau eu.

Slide 8 - Quizvraag

Ik heb gisteren een cadeau gehad.

Slide 9 - Open vraag

IMPARFAIT
  • Onvoltooid verleden tijd.
    (ik werkte)
  • Stam + uitgang.
    Stam = nous-vorm - ons 

Slide 10 - Tekstslide

Waarom heb ik gisteren een boek gekocht?
(waarom = pourquoi)

Slide 11 - Open vraag

je/tu
il/elle/on
nous
vous
ils/elles
ions
ait
ais
aient
iez

Slide 12 - Sleepvraag

Imparfait: vul in....
Ils ________ (acheter)

Slide 13 - Open vraag

Imparfait: vul in....
nous ________ (avoir)

Slide 14 - Open vraag

Imparfait: vul in....
je ________ (choisir)

Slide 15 - Open vraag

Imparfait: vul in....
je ________ (faire)

Slide 16 - Open vraag

Imparfait: vul in....
vous ________ (être)

Slide 17 - Open vraag

En nu het bijvoeglijk naamwoord:

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Stappenplan:
  • Wat is het zelfst nw waar het bij hoort?
  • Is het zelfst nw mannelijk, vrouwelijk, meervoud, enkelvoud?
  • Noteer het bijv nw in de juiste vorm.

Slide 20 - Tekstslide

Maak de zin goed af:
Léa et Anna sont ___ (petit).

Slide 21 - Open vraag

Maak de zin goed af:
C'est un film ___ (difficile).

Slide 22 - Open vraag

Maak de zin goed af:
J'adore ta robe ___ (vert) >tip: la robe.

Slide 23 - Open vraag

Maak de zin goed af:
Ce sont deux garçons ___ (français, tip: un garçon)

Slide 24 - Open vraag

Phrases clés Chapitre 5
  • Tu as passé un bon week-end?
  • Tu y étais avec qui?
  • C’était comment?
  • Le concert était où?
  • Il y avait beaucoup de monde?
  • Tu aimes les sports d’équipe?

Slide 25 - Tekstslide

Phrases clés Chapitre 5
  • Tu as des cours de guitare?
  • Tu joues depuis quand?
  • Qu’est-ce que tu aimes faire le week-end?
  • Qu’est-ce que tu fais d’autre?

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide