H4ges_3 Les 1 TV 1 Lucy

1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Welkom in de geschiedenisles!

Slide 2 - Tekstslide

Wat gaan we doen vandaag?
  • Kennismaking met mij
  • Materiaalcheck
  • Programma 
  • Start
  • Afsluiting  

Slide 3 - Tekstslide

Telefoon in je zakkie!

Slide 4 - Tekstslide

Kennismaking: H. Nielsen (NLN)


Docent Geschiedenis
Werkt hier sinds 2018
Voor vragen: TEAMS







Slide 5 - Tekstslide

Verwachting: JdW-klimwijzer

Slide 6 - Tekstslide

Leerdoelen
  1. R Tijdvak, periode, kenmerkende aspecten prehistorie, evolutietheorie,  archeologie, hypothese
  2. T1 Je kan uitleggen wat het beginpunt en het eindpunt van de Prehistorie zijn (en dat deze per geografische locatie anders kan zijn) 
  3. T1 Je begrijpt dat tijdens de Prehistorie iedereen analfabeet is
  4. T2 Je kan uitleggen waarom onze kennis vanuit de Prehistorie uitsluitend komt vanuit materiële bronnen, en dat archeologen en historici op basis hiervan hypotheses opstellen
  5.  I - 
*Leerdoelen zijn RTTI geformuleerd 

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Kenmerkende aspecten
Een kenmerkend aspect is de kortst mogelijke samenvatting van de hoofdgebeurtenissen die in een bepaald tijdvak hebben plaatsgevonden. Een kenmerkend aspect is dus een ‘aspect’ en een ‘kenmerkend’ van een tijdvak. 
Met ‘aspect’ wordt bedoeld: een onderdeel of kant van een tijdvak. 
‘Kenmerkend’ verwijst naar het feit dat deze hoofdgebeurtenissen uniek zijn voor een tijdvak waardoor de tijdvakken zich van elkaar onderscheiden. 

Elk kenmerkend aspect is ingedeeld bij één van de tien tijdvakken. Deze tien tijdvakken hebben, waar mogelijk, afgeronde jaartallen en vallen de begin- en eindpunten van tijdvakken precies op belangrijke keerpunten (grootschalige historische ontwikkelingen, veranderingen of belangrijke gebeurtenissen).

Slide 10 - Tekstslide

Instructie: historische vaardigheden
Domein A:  Historisch Besef (historisch denken en redeneren) 
De leerlingen kunnen historisch denken en redeneren binnen de volgende drie hoofdclusters:
- Tijd (chronologie, causaliteit, continuïteit & verandering)
- Interpretatie (standplaatsgebondenheid, bron en vraagstelling; bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit)
- Betekenis voor nu (betekenis geven aan en oordelen over het verleden)

Domein B: Oriëntatiekennis (welke kennis moet je hebben en kunnen toepassen in een onbekende situatie)
De kandidaat kan voor elk van de tien tijdvakken:
- de kenmerkende aspecten voor ieder tijdvak noemen;
- bij elk kenmerkend aspect van een tijdvak een passend voorbeeld geven van een gebeurtenis, ontwikkeling, verschijnsel of handeling dan wel gedachtegang van een persoon en dit voorbeeld gebruiken om het betreffende aspect te verduidelijken;
- uitleggen hoe kennis van het betreffende tijdvak de oriëntatie op de hedendaagse werkelijkheid beïnvloedt;


Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Man gered van onbewoond eiland
"De reddingsactie vond vorige week al plaats, maar nu pas heeft de kustwacht bekendgemaakt dat de geredde man een 64-jarige Nederlander is. Hij werd vanuit de lucht opgemerkt omdat hij lichtkogels afvuurde. Ook had hij groot 'SOS' in het zand geschreven. De kustwacht dropte vervolgens vanuit de lucht eten, water en een radio om contact met de man te leggen. Hij kon uiteindelijk met een boot van de kustwacht worden opgepikt.

Op beelden is te zien dat hij ook een provisorisch verblijf voor zichzelf had gebouwd op het eiland.
Volgens een woordvoerder van de kustwacht is de redding een perfect voorbeeld van waarom mensen op hun boot de juiste veiligheidsvoorzieningen aan boord moeten hebben: "Als we de lichtkogel niet hadden gezien, had dit een stuk minder succesvol kunnen aflopen."









Slide 13 - Tekstslide

Was deze man 10 000 jaar geleden succesvol gered? Noem voorbeelden uit het artikel en de foto's om uit te leggen waarom wel/niet

Slide 14 - Woordweb

Slide 15 - Video

1. Wat doet deze man?
2. Maar wat gebeurt er als hij valt?

Slide 16 - Open vraag

Archeologen hebben ooit een oud skelet gevonden

Slide 17 - Tekstslide

Beroep: Archeologen 
Archeologie: De wetenschap waarbij overblijfselen van oude culturen wordt onderzocht om zo meer over deze culturen te leren. Archeologen onderzoeken niet-schriftelijke materiële overblijfselen van oude culturen die in de grond worden gevonden. 
 


Slide 18 - Tekstslide

Het skelet 'Lucy'
Archeologen ontdekken een zeer oud menselijk skelet. Ze hebben vragen:

  • Is het een man of een vrouw?
  • Weten we iets over de kleren?
  • Weten we welke taal deze mens sprak?
  • Weten we hoe deze mens dood is gegaan?
  • Hoe zag deze mens er vroeger uit?

Op basis van vragen wordt er een hypothese opgesteld

Slide 19 - Tekstslide

hypothese

Een onderzoeksvraag in de vorm van een stelling die nog niet (empirisch) is bewezen en dient als uitgangspunt voor een onderzoek/experiment/waarneming

Slide 20 - Tekstslide

Een spectrometer meet hoe oud bodemvondsten zijn 

Slide 21 - Tekstslide

Eén van de oudste mensen: 3 miljoen jaar oud
- Het is een vrouw
- De archeologen noemen het skelet “Lucy”

 

Slide 22 - Tekstslide

Wie was Lucy?

  • Ze leefde 3 miljoen jaar geleden
  • Ze stierf, misschien door een val uit een boom
  • Ze was ongeveer 12 jaar met een massa van 30 kilo

Slide 23 - Tekstslide

Hoe moeten we Lucy plaatsen in de tijd?
Wetenschappers ontwikkelen een evolutietheorie

Slide 24 - Tekstslide

Wie is de eerste vrouw ter wereld? 

Naast de evolutietheorie bestaat er ook het creationisme: de mens is gemaakt, niet geëvolueerd door de tijd heen

Slide 25 - Tekstslide

Overeenkomsten tussen Eva en Lucy

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Video


Schrijf 3 dingen op die
je deze les hebt geleerd

Slide 28 - Open vraag

Begrippen uit deze les
Tijdvak 
periode
kenmerkende aspecten prehistorie
evolutietheorie
archeologie
hypothese

Slide 29 - Tekstslide


Stel 1 vraag over iets dat je
deze les nog niet zo goed hebt begrepen

Slide 30 - Open vraag