Procenten en geld Max 2.0

Procenten en geld

1 / 23
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenSpeciaal OnderwijsLeerroute 6

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Procenten en geld

Open met de herkenbare situatie: schoenen van €60 met 20% korting. Geef het antwoord nog niet; gebruik dit als haakje voor de les.

Dit leer ik vandaag

Ik kan 10%, 20%, 25% en 50% van een geldbedrag berekenen en gebruiken bij korting, sparen, prijsverhoging en budget.

Deze slide heeft geen instructies

Welk woord past bij korting of procenten?

Gebruik de woorden uit de cloud om voorkennis op te halen, zoals korting, geld, winkel, helft, sparen of duurder.

Waarom is dit handig?

Met procenten kun je rekenen met geld in:

  • winkels en korting

  • sparen

  • prijsverhoging

  • je budget


Zo weet je beter wat je krijgt, betaalt of overhoudt.

Houd het kort en concreet. Koppel aan dagelijkse situaties van leerlingen.

Wat weet je al?

50% = de helft (delen door 2)

25% = een kwart (delen door 4)

10% = delen door 10

20% = 2 keer 10%

50% van €20 = €10

25% van €40 = €10

10% van €70 = €7

Handige afspraken

Voorbeelden

Gebruik deze dia om voorkennis kort op te halen. Laat de voorbeelden hardop meerekenen.

10% berekenen

€70 → 10%


10% betekent: delen door 10


€70 : 10 = €7


Dus 10% van €70 = €7.

Zet de berekening groot in beeld en neem één stap tegelijk.

20% berekenen

Schoenen kosten €60

20% korting


10% van €60 = €6

20% = 2 × €6 = €12


De korting is €12.

Benadruk dat 20% vaak het snelst gaat via eerst 10% berekenen.

25% en 50%

25% = een kwart


€40 : 4 = €10


Dus 25% van €40 = €10

25%

50% = de helft


€36 : 2 = €18


Dus 50% van €36 = €18

50%

Koppel taal aan rekenen: kwart = delen door 4, helft = delen door 2.

Wat is 25% van €40?

A

€20

B

€10

C

€4

D

€5

Sluit aan bij de voorkennisdia: 25% is een kwart, dus delen door 4.

Maak de zinnen af

Bij geld rekenen is 50% de helft en 25% een kwart. Bij 10% van €70 deel je door 10. Dan krijg je €7.

helft
kwart
10
7
2
4
20
14

Controleer de kernafspraken uit de instructie: helft, kwart, delen door 10 en 10% van €70 = €7.

Van korting naar prijs

Jas kost €80

25% korting



Leg extra nadruk op het verschil tussen korting en nieuwe prijs. Vraag hardop: wat wordt gevraagd?

Stappenplan

  1. Lees wat er gevraagd wordt.

  2. Kijk welk percentage je nodig hebt.

  3. Bereken het percentage.

  4. Kijk opnieuw naar de vraag.

  5. Trek af, tel erbij op, of stop.

  6. Controleer je antwoord.

Laat deze stappen later eventueel zichtbaar staan tijdens verwerking.

Een jas kost €400. 25% korting. Wat betaal je?

A

€20

B

€60

C

€55

D

€100

Veel leerlingen kiezen €20; dat is de korting. Het juiste antwoord is de nieuwe prijs: €80 - €20 = €60.

Wat doe je met het percentage bij prijsverhoging?

1

Eraf

2

Erbij

3

Niets

Deze slide heeft geen instructies

prijsverhoging

Een PlayStation-spel kost €50.

De winkel verhoogt de prijs met 10%.


  • Hoeveel is 10% van €50?

  • Moet het bedrag eraf of erbij?

  • Wat wordt de nieuwe prijs?

Schrijf de berekening zelf voor op het bord of op de slide: 10% van €50 = €5, erbij, dus €55.

korting

Een sporttas kost €90.

Je krijgt 20% korting.


  • Hoeveel is 10% van €90?

  • Hoeveel is 20%?

  • Wat betaal je na korting?

Laat leerlingen de tussenstappen benoemen. Werk toe naar: 10% = €9, 20% = €18, €90 - €18 = €72.

Een game kost €50. 10% erbij. Nieuwe prijs?

A

€45

B

€60

C

€55

D

€50

Toepassing van het stappenplan: 10% van €50 = €5, bij prijsverhoging tel je erbij op.

Vul de stappen in

Een sporttas kost €90 met 20% korting. Eerst reken je 10% uit: €9. Daarna is 20%: €18. Dat bedrag gaat van de prijs af. Je betaalt dan €72.

9
18
af
72
8
90
erbij
81

Laat leerlingen verwoorden waarom 'af' goed is: het gaat om korting.

Zelfstandig werken

Je werkt aan Procenten en geld.


Op het werkblad oefen je met:

  • sparen

  • korting

  • nieuwe prijs

  • prijsverhoging

  • budget en geld overhouden

Alle leerlingen starten met het basiswerkblad op 1F-niveau.

Hulp of extra uitdaging

  • Eerst maakt iedereen het basiswerkblad.

  • Klaar? Ga verder met een moeilijker werkblad.

  • Extra uitleg nodig? Dan oefen je stap voor stap aan de instructietafel.

Differentiatie gebeurt tijdens de verwerking; de klassikale uitleg blijft gelijk voor iedereen.

Welke stap helpt jou het meest?

Bespreek kort welke stap uit het stappenplan leerlingen het meest helpt, bijvoorbeeld eerst lezen, percentage kiezen of af/erbij bepalen.

Wat heb jij vandaag geleerd?

Laat leerlingen benoemen wat ze meenemen uit de les, zoals 10% is delen door 10, 25% is een kwart, of eerst korting uitrekenen en dan pas betalen.

Woorden om te kennen

procent - een deel van 100

10% - een tiende deel; delen door 10

20% - twee keer 10%

25% - een kwart; delen door 4

50% - de helft; delen door 2

korting - geld dat van de prijs af gaat

prijsverhoging - geld dat bij de prijs komt

Deze slide heeft geen instructies