11 mei: herhalen en bs. 8

11 mei: herhalen en bs. 8
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 100 min

Onderdelen in deze les

11 mei: herhalen en bs. 8

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

+
+
+
Fotosynthese
Koolstofdioxide
Glucose
Water
Zuurstof
Licht

Slide 2 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak de reactievergelijking van verbranding kloppend.
+
+
  _______>
verbranding
koolstofdioxide
zuurstof
water
glucose

Slide 3 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij het slikken bevindt de huig zich in stand ... en het strotklepje in stand ...
A
1 en 1
B
2 en 2
C
1 en 2
D
2 en 1

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De luchtpijp vertakt zich in
A
bronchiën
B
longblaasjes
C
luchtpijpvaten
D
luchtpijptakjes

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Bij pijl 3, de meest rechter, is er ...1....... zuurstof en .....2....... koolstofdioxide
A
1= weinig 2= weinig
B
1= weinig 2= veel
C
1= veel 2= weinig
D
1= veel 2= veel

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

wat is de juiste volgorde van de 4 onderdelen van een borstademhaling
A
longen worden groter lucht stroomt de longen in ribben en borstbeen bewegen omhoog borstholte wordt groter
B
ribben en borstbeen bewegen omhoog borstholte wordt groter lucht stroomt de longen in longen worden groter
C
longen worden groter lucht stroomt de longen in borstholte wordt groter ribben en borstbeen bewegen omhoog
D
ribben en borstbeen bewegen omhoog borstholte wordt groter longen worden groter lucht stroomt de longen in

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

celmembraan
kieuwen
longen
tracheeën

Slide 8 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bs 8


 Koudbloedig en warmbloedig

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel
Ik kan het verschil in verbranding bij koudbloedige en warmbloedige dieren beschrijven

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Koudbloedig & warmbloedig
warmbloedig = constante lichaamstemperatuur
koudbloedig = wisselende lichaamstemperatuur
Hoe hoger de lichaamstemperatuur hoe meer verbranding
Want een koudbloedig dier kan ook in een warme omgeving zijn, op dat moment is zijn lichaamstemperatuur ook 'warm' (hoog). 
Warmbloedige dieren houden hun lichaams temperatuur altijd even hoog ongeacht de buiten temperatuur
bijv: wij mensen houden onze lichaamstemperatuur constant rond de 37 graden ook al is het koud in onze omgeving.
Koudbloedige dieren hebben een wisselende lichaamstemperatuur, Bij deze dieren is de lichaamstemperatuur ongeveer gelijk aan hun omgeving
bijv: als het buiten 3 graden is heeft de kikker een lichaams temperatuur van 3 graden. Als het 26 graden is zijn zijn omgeving zal zijn lichaamstemperatuur ook 26 graden zijn.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Koudbloedig
  • wisselende temperatuur
  • weinig verbranding bij lage temperatuur
Gevolg? 
  • winterslaap
Wat gebeurt er? 
Weinig verbranding = weinig energie beschikbaar
Bij koud weer zijn koudbloedige dieren niet erg actief
Veel koudbloedige dieren doen aan winterslaap
-Lichaamstemperatuur daalt
-Stofwisseling vertraagt
-Weinig energie en zuurstof nodig
-Sommige reptielen ademen de hele winterslaap niet

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Warmbloedig
  • Constante temperatuur
  • Voortdurend verbranding
  • Extra verbranding bij kou
Waarom? 
  • isolatie
  • trek
  • enkele houden winterslaap
Er vindt extra veel verbranding plaats om hun lichaamstemperatuur op peil te houden.
Er komt extra energie vrij, dus ze zijn ook in de winter actief. 
Er is veel voedsel nodig om zo'n actief leven te kunnen leiden
Isolatie:
Zoogdieren: vetlaag onder de huid & dikke vacht met haren 
Vogels: vetlaag onder de huid & verenpak
Trek = wegtrekken naar andere warmere streken in de herfst (ook walvissen trekken bijv. weg naar warmere wateren)
Winterslaap = sommige dieren zoals egels en vleermuizen

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefenen
  • Bij welk dier is de lichaamstemperatuur het hoogst/laagst?
  • Bij welk dier vindt de minste/meeste verbranding plaats?


Hoogst = de 2 muizen (deze zijn altijd 37 graden)
Laagst = kikker in 5 graden, deze past lichaamstemperatuur aan aan omgeving
Meest = Muis in 5 graden (moet veel verbranding uitvoeren om lichaamstemperatuur op 37 graden te houden)
Minst = Kikker in 5 graden (lichaamstemperatuur is laag)

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mark bestudeert 2 soorten vossen: een poolvos en een rode vos (NL). Welke stelling is juist?
De poolvos verbruikt meer zuurstof, hij is warmbloedig in in deze koude omgeving vind er meer verbranding plaats om zijn lichaamstemperatuur op peil te houden. Voor deze verbrandingsreactie is zuurstof nodig.
A
De poolvos verbruikt meer zuurstof
B
De rode vos verbruikt meer zuurstof
C
De poolvos en de rode vos verbruikten evenveel zuurstof
D
De poolvos en de rode vos gebruiken geen zuurstof want ze zijn in winterslaap

Slide 15 - Quizvraag

De poolvos verbruikt meer zuurstof, hij is warmbloedig in in deze koude omgeving vind er meer verbranding plaats om zijn lichaamstemperatuur op peil te houden. Voor deze verbrandingsreactie is zuurstof nodig.
Een kat is
A
koudbloedig
B
warmbloedig
C
beide
D
bij katten komt dit niet voor

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In de winter vindt er in het lichaam van de meeste warmbloedige dieren:
A
Geen verbranding plaats
B
Minder verbranding plaats dan in de zomer
C
Evenveel verbranding plaats als in de zomer
D
Meer verbranding plaats dan in de zomer

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zijn vleermuizen koudbloedige of warmbloedige dieren?
A
koudbloedige dieren
B
warmbloedige dieren

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tim zegt: Als dieren altijd dezelfde lichaamstemperatuur hebben, zijn ze warmbloedig
Karen zegt: Warmbloedige dieren hebben in een warme omgeving een hogere lichaamstemperatuur dan in een koude omgeving
A
beide hebben gelijk
B
beide hebben ongelijk
C
Tim: heeft gelijk Karen: heeft geen gelijk
D
Tim: heeft geen gelijk Karen: heeft gelijk

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies