T3: Prefixes and Suffixes Quiz

Prefixes and Suffixes

(Voorvoegsels en Achtervoegsels)
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
Middelbare school

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Prefixes and Suffixes

(Voorvoegsels en Achtervoegsels)

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Today's goal

At the end of this  lesson I can correctly form and use prefixes and suffixes


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prefixes + Suffixes
They both change the meaning of the word.

Prefixes are letters you can place before a word. 

Suffixes are letters that go at the end of a word. 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prefixes and suffixes

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Part 1: Prefixes / Voorvoegsels
Komen voor het woord

Veranderen de betekenis van het woord

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

These prefixes all mean 'not' (niet) or
 'the opposite' (tegenovergestelde)
non-             sense -> nonsense
un-               used -> unused
im-               possible -> impossible
il-                  legal -> illegal
in-                compatible -> incompatible
ir-                 responsible -> irresponsible
dis-             appear -> disappear

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Do you remember?

re- means?
mis- means?

Slide 8 - Tekstslide

re- means again/back
mis- means wrong/not
Re- means 'again' (opnieuw) or 'back' (terug)
act -> react
play -> replay
turn -> return
visit -> revisit

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

mis- means 'wrong' (verkeerd) or 'not' (niet)
place -> misplace
understand -> misunderstand
use -> misuse
behave -> misbehave

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies





                                                                                                              7 questions

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


1. What does re- mean?
timer
0:30

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


2. What does mis- mean?
timer
0:30

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

3. Wat komt er voor "sense"
A
Non
B
Un
C
Ir
D
Dis

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

4. Wat komt er voor "possible"
A
Non
B
Dis
C
Im
D
Ir

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

5. Wat komt er voor "appear"
A
Un
B
Dis
C
Non
D
Ir

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

6. Wat komt er voor "play"
A
Mis
B
Re
C
Un
D
Ir

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

7. Complete the sentence with the correct prefix.

I don't trust that boy anymore. He was ...honest about his age.
A
re
B
dis
C
mis
D
im

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

How did it go?
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 20 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Part 2: Suffixes / Achtervoegsels
Komen achter het woord

Veranderen de betekenis van het woord
Examples: -er, -ing/ -ment, -ness

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Suffixes / Achtervoegsels
Met -er: degene die de actie doet: Teach(er)
Werkwoord naar zelfstandig naamwoord: Pay(ment) / Paint(ing)
Bijwoord of bijvoeglijk naamwoord naar zelfstandig naamwoord: Kind(ness)

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Suffixes
To talk about 'the person that does the action',
 add -er 
teach -> teacher
rap -> rapper

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

It's the tail of an elephant!

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies





                                                                                                            13 questions

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Wat komt er achter "sad"
A
er
B
ing
C
ment
D
ness

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

2. Wat komt er achter "punish"
A
ment
B
ness
C
er
D
ing

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

3. Wat komt er achter "end"
A
ment
B
ness
C
ing
D
er

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

4. disbelief
dis =
A
unpolite
B
rude
C
tasty
D
not

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

5. Choose the suffix that changes the verb 'develop' into a person that does the action.
A
-ment
B
-ness
C
-er

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

6. Choose the suffix that changes the verb 'buy' into a person that does the action.
A
-ing
B
-ment
C
-er

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

7. post apocalyptic
post =
A
after
B
before
C
during
D
writing

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

How did it go?
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 33 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Well done! We did a sheet about prefixes and suffixes

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies