21 09 21 werkwoordspelling

HV 1R
Welkom
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

HV 1R
Welkom

Slide 1 - Tekstslide

Lekker lezen! 
timer
10:00

Slide 2 - Tekstslide

Programma vandaag

  • Quiz zinsdelen
  • Uitleg werkwoordspelling
  • Huiswerk bespreken en opdrachten maken werkwoordspelling

Lezen later






    Slide 3 - Tekstslide

    Leerdoel 
    Aan het eind van deze les weet je hoe je de werkwoorden in tegenwoordige en verleden tijd schrijft en heb je de zinsdelen herhaald

    Slide 4 - Tekstslide

    Huiswerk 
    Groene blokken lezen over werkwoordspelling (H1, H2 en H3) tegenwoordige en verleden tijd en opdracht 1 maken.


    Slide 5 - Tekstslide

    Gisteren keek ik naar een superleuk programma op Netflix.
    Wat zijn de zinsdelen?
    A
    Gisteren / bekeek ik /een superleuk /programma / op Netflix.
    B
    Gisteren / bekeek / ik /een superleuk programma / op Netflix.
    C
    Gisteren / bekeek/ ik /een / superleuk / programma / op / Netflix.
    D
    Gisteren / bekeek / ik / een superleuk programma op Netflix.

    Slide 6 - Quizvraag

    Gisteren heb ik naar een superleuk programma op Netflix gekeken.
    Wat is de pv?
    A
    heb
    B
    heb gekeken
    C
    ik

    Slide 7 - Quizvraag

    Gisteren heb ik naar een superleuk programma op Netflix gekeken.
    Wat is het ow?
    A
    Gisteren
    B
    heb gekeken
    C
    ik

    Slide 8 - Quizvraag

    Waarom heb jij dat ijsje laten vallen?
    Wat is het wg?
    A
    waarom
    B
    heb jij
    C
    laten vallen
    D
    heb laten vallen

    Slide 9 - Quizvraag

    Waarom heb jij dat ijsje laten vallen?
    Wat is het lv?
    A
    waarom
    B
    ijsje
    C
    jij
    D
    dat ijsje

    Slide 10 - Quizvraag

    Maak een zin en schrijf het ONDERWERP in hoofdletters

    Slide 11 - Open vraag

    Maak een zin en schrijf het LIJDEND VOORWERP in hoofdletters

    Slide 12 - Open vraag

    Stappenplan Lijd. vw
    1. pv zoeken (getal / tijd)
    2. zinsdelen! 
    3. wg zoeken (alle ww in de zin)
    4. ow zoeken (wie of wat + pv?)
    5. lijd.vw zoeken (wie of wat + pv + ow?)
    6. Tip: lijdvw begint NOOIT met een voorzetsel (aan, met, zonder, door, langs, in,...)

    Slide 13 - Tekstslide

    Uitleg werkwoordspelling
    Keuze: Lennon, Luitzen, Milan, Carlijn, Fay, Amir, Alan, Roisin

    Slide 14 - Tekstslide

    Hoe weet je wat de PV is in de zin?
    • getalsproef of tijdsproef
    • getalsproef: zet de zin in een ander getal (mv/ev): werkwoord dat verandert, is pv
    • tijdsproef: zet de zin in een andere tijd (tt/vt)

    Slide 15 - Tekstslide

    Eerste stap werkwoordspelling 
    Het werkwoord is een pv in tegenw. tijd: 
    1. enkelvoud: ik-vorm voor ik & jij erachter
    2. ik speel / speel jij?
    3. andere vormen enkelvoud: ik-vorm + t
    4. hij speelt, zij speelt
    5. meervoud: hele ww
    6. wij spelen / jullie spelen / zij spelen


    Slide 16 - Tekstslide

    Maak zelf een zin 
    in de TT

    Slide 17 - Tekstslide

    Tweede stap werkwoordspelling 
    Het werkwoord is een pv in de verleden tijd: 
    1. is het werkwoord zwak of sterk ....?
    2. verl.tijd zwak ww? => T eX FoKSCHaaP' + -te /-ten
    3. neem hiervoor de stam (hele werkwoord. '-en' eraf)
    4. zij kloP-ten, het hondje keF-te
    5. verl. tijd sterk ww? => klankverandering
    6. hij blies, ik floot, zij gingen


    Slide 18 - Tekstslide

    Maak zelf één zin 
    in de VT zwak en
     één zin in de VT sterk

    Slide 19 - Tekstslide

    Wat vul je in? En waarom?
    1. Gisteren ....(verven) mijn broer het huis.
    2. Het .... (gebeuren) vaak dat het regent als ik fiets.
    3. Vorige week .... (vermelden) de kranten het nieuws.
    4. "....(lopen) door!", schreeuwde de coach.
    5. ....(worden) jij blij als je een ijsje krijgt?
    6. ......(suizen) de wind gisteren ook zo hard?
    7. Hij ....(geloven) mij nooit als ik hem dat ga vertelle

    Slide 20 - Tekstslide

    Maak een zin met een zwak werkwoord in de verleden tijd

    Slide 21 - Open vraag

    Maak een zin met een sterk werkwoord in de verleden tijd

    Slide 22 - Open vraag

    "Het gebeurd vaak dat ik jou tegenkom."
    "gebeurd" is ...
    A
    goed geschreven
    B
    fout geschreven, moet 'gebeurt' zijn

    Slide 23 - Quizvraag

    "Hij lachtte mij gisteren uit."
    "lachtte" is ...
    A
    goed geschreven
    B
    fout geschreven, moet 'lachte' zijn

    Slide 24 - Quizvraag

    "Vorige week vermoedde ik al dat hij niet kwam."
    "vermoedde" is ...
    A
    goed geschreven
    B
    fout geschreven, moet 'vermoede' zijn

    Slide 25 - Quizvraag

    Welke vraag heb je nog over de spelling van werkwoorden

    Slide 26 - Tekstslide

    Zelfstandig werken / Huiswerk: 
    Huiswerk: Hst. 1, werkwoordspelling opdr. 2 en 3
    Hst. 2, werkwoordspelling opdr. 2 en 3
    Hst. 3, werkwoordspelling opdr. 1 en 2, zie planning Nieuw Ned. Online

    Liever nog in je boek kijken? 
    H1 PVTT Persoonsvorm tegenwoordige tijd blz. 36
    H2 PVVT De verleden tijd van zwakke werkwoorden blz. 66
    H3 PVVT De verleden tijd van sterke werkwoorden blz. 96

    Slide 27 - Tekstslide