SPQR les 23

Les 23 - Thermopolium
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
LatijnMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Les 23 - Thermopolium

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide


Even oefenen!

Slide 9 - Tekstslide

Een bijzin geeft meer informatie over iets uit de hoofdzin.
A
waar
B
niet waar

Slide 10 - Quizvraag

Een 'nevenschikkend' voegwoord kan twee hoofdzinnen aan elkaar koppelen.
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quizvraag

Een 'nevenschikkend' voegwoord kan twee bijzinnen aan elkaar koppelen.
A
waar
B
niet waar

Slide 12 - Quizvraag

Een onderschikkend voegwoord leidt een bijzin in.
A
waar
B
niet waar

Slide 13 - Quizvraag

Jan doet boodschappen, omdat hij van koken houdt.
A
nevenschikkend
B
onderschikkend

Slide 14 - Quizvraag

Jan doet boodschappen, want hij houdt van koken.
A
nevenschikkend
B
onderschikkend

Slide 15 - Quizvraag

Jan doet zijn huiswerk, wanneer hij een proefwerk heeft.
A
nevenschikkend
B
onderschikkend

Slide 16 - Quizvraag

Jan doet zijn boek open, zodra hij de docent ziet.
A
nevenschikkend
B
onderschikkend

Slide 17 - Quizvraag

Jan doet zijn boek open, omdat hij de docent ziet.
A
nevenschikkend
B
onderschikkend

Slide 18 - Quizvraag

Jan doet zijn boek open, want hij ziet de docent.
A
nevenschikkend
B
onderschikkend

Slide 19 - Quizvraag

nevenschikkend
onderschikkend
et 
dum 
postquam 
sed

Slide 20 - Sleepvraag

nevenschikkend
onderschikkend
enim
cum
neque
ut
quod
quia
nam
quamquam

Slide 21 - Sleepvraag

Aan de slag!

  • Vertaal Tekst 23
  • Gebruik je streeptekst
           Zet [ ] om bijzinnen
           Zet een rondje om een 
           nevenschikkend voegwoord

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

T23 - Thermopolium
Priegel en vertaal t/m r.18
Noteer de structuur van de volgende zinnen:
r.21 Dum bibit, conspexit Successum.
r.23-24 Uah, me t/m pulchrior sum.
r.27-29 Iris tibi t/m tibi complet.
r.29-30 Successus nihil t/m Iridi adnuit.
Klaar? Lees TB blz. 92 en maak opdr. 23-25 (HB blz. 38)

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide