Woordenschat - Woordbetekenissen zoeken

Woordbetekenissen zoeken
timer
1:00
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 2

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Woordbetekenissen zoeken
timer
1:00

Slide 1 - Tekstslide

Deze les
Nakijken opdrachten
Herhaling theorie: woordbetekenissen zoeken
Opdrachten maken

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
Je leert verschillende manieren om de betekenis van een onbekend woord te vinden.

Slide 3 - Tekstslide

Onbekend woord 
Als je een onbekend woord tegenkomt, kijk eerst of je de betekenis uit de tekst kan halen

Slide 4 - Tekstslide

Terugblik
  • Synoniem
  • Omschrijving
  • Voorbeeld
  • Tegenstelling
  • Bekend woorddeel

timer
1:00

Slide 5 - Tekstslide

Nakijken
Opdracht 1, 2 en 3 op blz 24-26

Slide 6 - Tekstslide

Synoniem


Synoniemen zijn twee of meer verschillende woorden met (ongeveer) dezelfde betekenis.



Slide 7 - Tekstslide

Synoniem - voorbeelden


zelfstandig - op zichzelf

chaos - puinhoop

neertellen - betalen

uitgave - editie

Slide 8 - Tekstslide

Omschrijving

Een omschrijving is een woord of zijn woorden waarmee verteld wordt wat iets is.





Slide 9 - Tekstslide

Omschrijving
Kijk of de betekenis voor of achter het woord staat

Let op opvallende tekens: (...), -

Slide 10 - Tekstslide

Omschrijving - voorbeelden


journalist - iemand die informatie verzamelt en openbaar maakt op internet, tv of krant


actualiteit - alles wat op dit moment belangrijk is

Slide 11 - Tekstslide

Voorbeeld

Voorbeelden worden in teksten soms gebruikt om onbekende woorden uit te leggen.



Voorbeelden kunnen voor of na de onbekende woorden worden gebruikt.



Slide 12 - Tekstslide

Voorbeeld - voorbeelden

Voorbeelden zijn te herkennen aan woorden als:

bijvoorbeeld, zo is er...., zoals, denk maar aan, neem, zo.


Vandalisme, zoals het vernielen van bushokjes, is een groot probleem in de stad.



Slide 13 - Tekstslide

Voorbeeld - voorbeelden

Voorbeelden kunnen ook te herkennen zijn aan

een dubbele punt (:)



Wij houden van buitensporten: varen, wandelen, bergbeklimmen en mountainbiken.



Slide 14 - Tekstslide

Tegenstelling

Tegenstelling zijn woorden die elkaars tegengestelde zijn.


Woorden als maar, echter, toch en daarentegen geven aan dat er een tegenstelling wordt genoemd.


Slide 15 - Tekstslide

Tegenstelling - voorbeelden


goedkoop - duur

begrijpelijk - onbegrijpelijk

koud - warm

bang - dapper



Slide 16 - Tekstslide

Bekend woorddeel

Soms kun je de betekenis van een onbekend woord begrijpen doordat je al een deel van het woord kent.


- samenstellingen

- woorden met voorvoegsel

- woorden met achtervoegsel


Slide 17 - Tekstslide

Bekend woorddeel- voorbeelden


samenstellingen: vleesvervanger. Je kent de woorden vlees en vervanger. Je kunt raden wat vleesvervanger betekent.

woorden met voorvoegsel: ongezond. On betekent niet, dus ongezond betekent niet gezond.

woorden met achtervoegsel: gevoelloos. -loos is hetzelfde als zonder. Gevoelloos betekent zonder gevoel.


Slide 18 - Tekstslide

Synoniem voor:
afbeeldingen

Slide 19 - Open vraag

Tegenstelling van 'winst'

Slide 20 - Open vraag

Wat is het synoniem van het onderstreepte woord?
Bij die opdracht moet je de uitkomst noteren en ook de berekening opschrijven.

Slide 21 - Open vraag

Geef een omschrijving van:
bacterie

Slide 22 - Open vraag

Geef een voorbeeld van amusement:

Slide 23 - Open vraag

Tegenstelling van 'dicht'

Slide 24 - Open vraag

Gebruik de woordraadstrategie 'zoek een bekend woorddeel'.
Wat betekent het woord draadloos?

Slide 25 - Open vraag

Gebruik de woordraadstrategie 'zoek een bekend woorddeel'.
Wat betekent het woord onbetaald?

Slide 26 - Open vraag

Geef een duidelijke omschrijving van
articuleren.

Slide 27 - Open vraag

Aan de slag
Je maakt opdracht 4 t/m 6
In stilte aan het werk
Ben je klaar? Pak je leesboek

Slide 28 - Tekstslide

Op welke manieren kan je de betekenis van een onbekend woord vinden?

Slide 29 - Woordweb

Is er iets wat je nog niet zo goed begrijpt?

Slide 30 - Open vraag