Een voorzetsel (vz) is een woord dat een plaats, tijd, middel, richting, oorzaak of reden aangeeft. Een voorzetsel komt nooit los in de zin voor. Het is altijd een onderdeel van een zinsdeel.
Slide 6 - Tekstslide
voorzetsel
aan achter boven beneden bij binnen buiten in naast onder op
over rondom tegen tussen voor
na vóór tijdens sinds tot om rond......
Er zijn er nog veel meer!
Slide 7 - Tekstslide
voorzetsel
Het boek ligt sinds gisteren op mijn bureau.
Verdeel de zin in zinsdelen en onderstreep de vz.
Slide 8 - Tekstslide
persoonlijk voornaamwoord
Een persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw) verwijst naar iemand of naar iets.
Ik loop naar school.
Dat moet je niet aan mij vragen.
Slide 9 - Tekstslide
persoonlijk voornaamwoord
Als het pers. vnw. in de zin als onderwerp gebruikt wordt, dat gebruiken we een andere vorm dan wanneer het een ander zinsdeel betreft.
Hun hebben gezegd dat deze zin niet goed is.
Slide 10 - Tekstslide
bezittelijk voornaamwoord
Een bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw) geeft een bezit aan. Het kan bijvoeglijk of zelfstandig in een zin voorkomen. Als het zelfstandig wordt gebruikt, staat er een lidwoord voor.
Dit is mijn boek. - bijvoeglijk
Dit boek is de mijne. - zelfstandig
Slide 11 - Tekstslide
Maken
opdracht 1 t/m 6
Dat is huiswerk voor vrijdag 10 april
Slide 12 - Tekstslide
deze les
lezen
kalender
nakijken huiswerk
soorten werkwoorden
stam / ik-vorm
Slide 13 - Tekstslide
lezen
Slide 14 - Tekstslide
kalender
tot en met
Mijn zoon wordt in mei 12. Kinderen tot en met 12 jaar hoeven geen entree te betalen voor het festival. Moeten we voor hem wel of geen kaartje betalen?
Slide 15 - Tekstslide
tot en met
Mijn zoon wordt in mei 12. Kinderen tot en met 12 jaar hoeven geen entree te betalen voor het festival. Moeten we voor hem wel of geen kaartje betalen?
Slide 16 - Tekstslide
nakijken huiswerk
Slide 17 - Tekstslide
soorten werkwoorden
zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord
zelfstandig werkwoord geeft aan wat het onderwerp doet.
hulpwerkwoord is nodig om voltooid deelwoord/infinitief te kunnen schrijven. (hebben, zijn, zullen, mogen etc...)
Slide 18 - Tekstslide
soorten werkwoorden
Ik eet een broodje.
Ik zal een broodje eten.
Ik heb een broodje gegeten.
Slide 19 - Tekstslide
ik-vorm/stam
Hier zit een belangrijk verschil tussen!
ik vorm = loop
stam = lopen lop
ik vorm = schuif
stam = schuiv
Slide 20 - Tekstslide
persoonsvorm verleden tijd
pak je schema erbij!
Slide 21 - Tekstslide
maken
opdracht 8, 10, 11, 12, 13
Slide 22 - Tekstslide
deze les
lezen
voltooid deelwoord
boek kiezen van lezenvoordelijst.nl
huiswerk 13, 14, 15
Slide 23 - Tekstslide
kalender
Slide 24 - Tekstslide
voltooid deelwoord
pak je schema er weer bij
Slide 25 - Tekstslide
Jan ___________ (geloven) het verhaal niet.
Jan heeft het verhaal niet ____________ (geloven).
Slide 26 - Tekstslide
deze les
kalender
so hoofdstuk 7
nakijken hoofdstuk 7 tot nu toe
verwijswoorden (invullen)
signaalwoorden herkennen
voorlezen?
Slide 27 - Tekstslide
kalender
voorzetsels
Zijn er ook voorzetsels die je niet als 'kooiwoord' zou herkennen?