Het is Kerst.β¨
Het is winter. Er ligt sneeuw buiten.
Thuis staat een kerstboom.β¨
We versieren de kerstboom.β¨
Er hangt een kerstbal in de boom.β¨
Er brandt een kaars.
De kerstman komt.β¨
Hij brengt een cadeau.
De familie is thuis.β¨
We hebben het gezellig.β¨
We eten samen.β¨
We drinken wat wijn.β¨
We luisteren naar muziek.
In de kerk is het rustig.β¨
We horen het verhaal van Jozef en Maria.β¨
Het kindje Jezus is geboren.
Buiten valt weer sneeuw.
β¨Het is een fijne Kerst.