§2.4 Consumeren of consuminderen?

§2.4 Consumeren of consuminderen?
Start weer eerst met het bekijken van het filmpje. Daarna kun je gaan oefenen door de vragen te beantwoorden. Je mag je boek erbij houden om een antwoord op te zoeken. Succes!
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 3

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

§2.4 Consumeren of consuminderen?
Start weer eerst met het bekijken van het filmpje. Daarna kun je gaan oefenen door de vragen te beantwoorden. Je mag je boek erbij houden om een antwoord op te zoeken. Succes!

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Productie levert milieuschade op.
Wat is juist over milieuschade?
A
Milieuschade is altijd direct merkbaar
B
Herstellen is onmogelijk
C
Milieuschade is niet altijd direct merkbaar
D
Consumptie levert geen milieuschade op

Slide 3 - Quizvraag

Wat is geen voorbeeld van milieuschade?
A
afval op straat
B
luchtvervuiling
C
water vervuiling
D
een vieze slaapkamer

Slide 4 - Quizvraag

Als je produceert, zonder schade voor mens en milieu, noem je dat
A
maatschappelijke kosten
B
duurzaam produceren
C
recycling
D
milieuschade

Slide 5 - Quizvraag

De negatieve gevolgen van ons gedrag voor het milieu noem je
A
maatschappelijke kosten
B
duurzaam produceren
C
recycling
D
milieuschade

Slide 6 - Quizvraag

Wat kun je doen om milieuschade te beperken
A
Meer fossiele brandstof gebruiken
B
minder natuurlijke brandstoffen gebruiken
C
Meer consumeren
D
meer goederen produceren

Slide 7 - Quizvraag

Wat is een vorm van milieuschade?
A
Luchtvervuiling
B
Plastic in de zee
C
verbruik van grondstoffen
D
Alle antwoorden zijn juist

Slide 8 - Quizvraag

Hoe ontstaat milieuschade?
Door het:
A
het maken van goederen
B
maken en gebruiken van goederen
C
het gebruiken van goederen
D
niks te doen

Slide 9 - Quizvraag

Wat is een gevolg van milieuschade?

A
Leefgebieden van dieren verdwijnen.
B
In de zomer mag je niet zwemmen in het zwembad.
C
Men heeft geen geld meer om naar het buitenland op vakantie te gaan.
D
onverklaarbare deuken in auto's

Slide 10 - Quizvraag

Wat is geen oorzaak van milieuschade?
A
Het kappen van bossen voor soya-plantage
B
Het oppompen van gas voor verwarmen woningen
C
Het maken van een nieuwe skipiste in de Alpen
D
Het afschaffen van gratis plastic tasjes

Slide 11 - Quizvraag

het broeikaseffect wordt veroorzaakt door
A
koolstofdioxide
B
zwaveldioxide
C
stikstofoxiden
D
ozon

Slide 12 - Quizvraag

Welk van de volgende uitspraken over het broeikaseffect is/zijn waar
A
Het broeikaseffect zorgt ervoor dat de temperatuur op aarde stijgt
B
versterkt broeikaseffect ontstaat door koolstofdioxide
C
het broeikaseffect bestaat helemaal niet
D
verbranden van fossiele brandstoffen zorgt voor versterkt broeikaseffect

Slide 13 - Quizvraag

Het energielabel geeft aan hoe...een apparaat in gebruik is.
A
zuinig
B
duur
C
groot
D
veilig

Slide 14 - Quizvraag

FSC is een voorbeeld van ...
A
Milieukeurmerk
B
Kringlooplogo
C
Energielabel
D
consumentenorganisatie

Slide 15 - Quizvraag

Je kunt het verbruik van televisie vergelijken door het ....te bekijken
A
nummer
B
prijskaartje
C
keurmerk
D
energielabel

Slide 16 - Quizvraag

Wat moet er op elektrische apparaten zitten?
A
een elektriciteitsmeter
B
een energielabel
C
een milieulabel

Slide 17 - Quizvraag

Wat is een energielabel?
A
Hierop kan je zien hoe zuinig een apparaat is.
B
Hierop zie je wat je met het apparaat kan doen.
C
Dan weet je in welk stopcontact het moet.
D
Hierop kan je zien of het veilig is.

Slide 18 - Quizvraag

Hoe zuiniger een elektrisch apparaat, hoe beter voor je beurs!
Hoe kun je zien of een elektrisch apparaat zuinig is?

A
de prijs: hoe hoger, hoe zuiniger
B
de kwaliteit: Een A merk is zuiniger dan een B merk
C
energielabel
D
Consumententest

Slide 19 - Quizvraag

Je wilt aan het milieu denken en koopt een product met energielabel A.
Dit product is...
A
zeer milieuzuinig
B
juist helemaal niet zuinig en vervuilend
C
half om half
D
geen van genoemde antwoorden

Slide 20 - Quizvraag

Als diersoorten uitsterven, is sprake van maatschappelijke kosten.
A
Ja
B
Nee

Slide 21 - Quizvraag

Afvalverwerking valt onder maatschappelijke kosten.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 22 - Quizvraag

Maatschappelijke kosten worden betaald door....
A
Rutte
B
bedrijven
C
mensen die het veroorzaken
D
samenleving

Slide 23 - Quizvraag

Hoe noem je de kosten die de samenleving betaald voor de kosten van milieuvervuiling?
A
Milieukosten
B
Productiekosten
C
planschade kosten
D
maatschappelijke kosten

Slide 24 - Quizvraag

Milieuvervuiling door uitlaatgassen zijn maatschappelijke kosten (het kost de maatschappij geld)
A
ja
B
nee

Slide 25 - Quizvraag

Maatschappelijke kosten zijn in geld uit te drukken
A
Soms
B
Ja
C
Nee

Slide 26 - Quizvraag

Als er van afval nieuwe materialen gemaakt worden, heb je het over ...
A
maatschappelijke kosten
B
duurzaam produceren
C
recycling
D
milieuschade

Slide 27 - Quizvraag

Kristel heeft een koffiebranderij. De buurt klaagt over de stank. Kristel laat een geurfilter plaatsen op de luchtafvoer. Hierdoor:
A
dalen de bedrijfskosten en de maatschappelijke kosten.
B
stijgen de bedrijfskosten en dalen de maatschappelijke kosten.
C
dalen de bedrijfskosten en stijgen de maatschappelijke kosten.
D
blijven beide gelijk

Slide 28 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van maatschappelijke kosten?
A
Als een bedrijf Failliet gaat, moeten wij de openstaande kosten betalen.
B
Als een bedrijf afval dumpt in de rivier en de overheid de schoonmaakkosten hiervoor betaalt.
C
Consumenten die bezorgkosten betalen om hun pakketje te laten bezorgen.
D
Als wij iets kopen, moeten we BTW betalen.

Slide 29 - Quizvraag

Waarom zijn maatschappelijke kosten vervelend voor de burgers?
A
Omdat de burgers moeten meebetalen aan het oplossen van de vervuiling van een ander.
B
Omdat burgers hierdoor minder geld verdienen.
C
Omdat bedrijven hierdoor meer winst maken.
D
Omdat burger hierdoor niet minder belasting moeten betalen.

Slide 30 - Quizvraag

Dit is het einde van §2.4
Succes bij het maken van de toets.

De rekenopgaven vind je in de rekenmodule.

Slide 31 - Tekstslide