V2 Taal JK oefentoets

1. In het woord schroef
onderscheiden we:

A
zes grafemen en vijf fonemen
B
vijf grafemen en vijf fonemen
C
vijf grafemen en zes fonemen
D
zes grafemen en zes fonemen
1 / 20
volgende
Slide 1: Quizvraag
CommunicatieHBOStudiejaar 2

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

1. In het woord schroef
onderscheiden we:

A
zes grafemen en vijf fonemen
B
vijf grafemen en vijf fonemen
C
vijf grafemen en zes fonemen
D
zes grafemen en zes fonemen

Slide 1 - Quizvraag

Het antwoord is: 1B
Paragraaf:1.2.1
Trefwoord: grafemen
Feedback: De letters o en e (oe) en de c en de h (ch) vormen 1 grafeem. (Zie ook subparagraaf 1.2.1.)

Slide 2 - Tekstslide

2. In welk rijtje woorden zijn alle woorden klankzuiver?

A
tand, haai, plaats, vers
B
mier, pen, vink, pas
C
tas, fiets, baas, spring
D
klank, roes, kolk, vlees

Slide 3 - Quizvraag

2 C
Paragraaf:1.2.1
Trefwoord: fonemen en grafemen
Feedback: Bij een klankzuiver woord wordt elk foneem door het normale grafeem wordt weergegeven. De ng geldt als één foneem.

Slide 4 - Tekstslide

3. Bij het lezen maakt de lezer gebruik van verschillende informatieniveaus.
Kim van vijf jaar ziet in de supermarkt Vim op een bus met schuurmiddel staan en roept: “Kijk dat is bijna mijn naam!”
- Van welk informatieniveau maakt zij gebruik?
A
morfologisch niveau
B
semantisch niveau
C
syntactisch niveau
D
visueel niveau

Slide 5 - Quizvraag

3 D
Paragraaf: 2.1.1
Trefwoord: informatieniveaus
Feedback: De lezer let hier op speciale kenmerken van de letters.

Slide 6 - Tekstslide

4 Kevin leest: /br/ /oer/ /broer/.
- Welke leesstrategie gebruikt hij?
A
lezen met behulp van clusters en spellingpatronen
B
lezen met behulp van de context
C
lezen met behulp van morfologische analyse
D
de elementaire leeshandeling

Slide 7 - Quizvraag

4 A
Paragraaf: 2.2.2
Trefwoord: leesstrategieën
Feedback: Een kind herkent in één keer de lettercluster br en oer.


Slide 8 - Tekstslide

5: Met welk proefje kan een leerkracht nagaan of een leerling in staat is tot auditieve analyse?
A
De leraar vraagt: 'Klap bij het woord vrachtauto voor elk stukje dat je hoort.'
B
De leraar vraagt: 'Welk woord is dit: /r/--/ie/--/m/?'
C
De leraar gaat na of de leerling begrippen als vooraan en achteraan kent.
D
De leerling moet op een werkblad alle letters r omcirkelen: rhmlnrurr.

Slide 9 - Quizvraag

5 A
Paragraaf: 2.4.1
Trefwoord: deelvaardigheden
Feedback: Het verdelen van een woord in klankstukken noemen we auditieve analyse.

Slide 10 - Tekstslide

6. In welke volgende activiteit wordt het instructieprincipe ‘analyseren en synthetiseren’ toegepast?
A
Een leerkracht laat alle letters van de letterlijn lezen.
B
Een leerkracht maakt gebruik van structureerstroken.
C
Een leerkracht leert de letter v aan met behulp van het woord vis.
D
De leerkracht laat flitskaartjes zien van de woorden maan roos vis vuur pen sok.

Slide 11 - Quizvraag

6 B
Paragraaf: 5.2
Trefwoord: instructieprincipes
Feedback: Bij analyseren en synthetiseren gaat het erom dat er klanken uit een woord gehaald worden en dat de los uitgesproken klanken van een woord weer worden samengevoegd.

Slide 12 - Tekstslide

7. Wat is een voorbeeld van het instructieprincipe ‘concreet ondersteunen’?
A
De leerkracht laat het woord muis lezen als m – ui – s, muis.
B
De leerkracht laat een leerling de wandkaart die hoort bij huis aanwijzen.
C
De leerkracht leert de letter s aan als de sissende slang letter.
D
De leerkracht wijst de k op de letterlijn aan.

Slide 13 - Quizvraag

7 C
Paragraaf: 5.2
Trefwoord: instructieprincipes
Niveau: gemiddeld
Feedback: Bij concreet ondersteunen gaat het erom dat je een mentale handeling zoals het analyseren en synthetiseren voor kinderen zichtbaar maakt

Slide 14 - Tekstslide

8. Hierna staan drie uitspraken over basiswoorden:
(1) Basiswoorden moeten klankzuiver zijn.
(2) Basiswoorden moeten uit de belevingswereld van kinderen komen.
(3) Basiswoorden moeten zo weinig mogelijk verschillende grafemen bevatten.
A
Alle uitspraken zijn juist.
B
Alleen uitspraak 1 en 2 zijn juist.
C
Alleen uitspraak 2 en 3 zijn juist.
D
Alleen uitspraak 1 en 3 zijn juist.

Slide 15 - Quizvraag

8 B
Paragraaf: 5.2.1
Trefwoord: basiswoorden
Niveau: gemiddeld
Feedback: Basiswoorden zijn eenlettergrepige klankzuivere woorden met een km- of mkm-structuur uit de belevingswereld van kinderen.

Slide 16 - Tekstslide

9. Wat is een voorbeeld van een functionele oefensituatie voor technisch lezen?
A
Vier kinderen lezen in een forum een gedeelte van een tekst voor. De anderen mogen er vragen over stellen.
B
Kinderen lezen in een niveaugroep onder begeleiding van een leesouder allemaal hetzelfde boek.
C
De kinderen bereiden een tekst goed voor voordat er hardop in de klas gelezen wordt.
D
In de lees-schrijfhoek lezen twee kinderen een boek, terwijl ze de tekst op een bandje horen.

Slide 17 - Quizvraag

9 A
Paragraaf: 5.3
Trefwoord: functionele oefensituaties
Niveau: gemiddeld
Feedback: In een functionele situatie wordt de taal als communicatiemiddel gebruikt.

Slide 18 - Tekstslide

Zet in de juiste volgorde:
A Steeds moeilijkere zinnen lezen B Ervaringen opdoen met geschreven taal
C Functioneel lezen D Zelf woorden maken en lezen
E Steeds moeilijkere woorden lezen F Leren voorlezen (expressief lezen)
G Kennismaken met geschreven taal H Met hulp geschreven taal gebruiken

Slide 19 - Open vraag

Leesfase 1 Kennismaken met geschreven taal              G
Leesfase 2 Ervaringen opdoen met geschreven taal  B
Leesfase 3 Met hulp geschreven taal gebruiken           H
Leesfase 4 Zelf woorden maken en lezen                         D
Leesfase 5 Steeds moeilijker woorden lezen                  E
Leesfase 6 Steeds moeilijker zinnen lezen                      A
Leesfase 7 Leren voorlezen (expressief lezen)              F
Leesfase 8 Functioneel lezen                                                 C

Slide 20 - Tekstslide