cross

Antw 3.4

47 a Nee, je bent niet direct beschikbaar voor de arbeidsmarkt aangezien je naar school gaat.

b Gehandicapten, huismoeders of –vaders, studenten.

1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 13 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

47 a Nee, je bent niet direct beschikbaar voor de arbeidsmarkt aangezien je naar school gaat.

b Gehandicapten, huismoeders of –vaders, studenten.

Slide 1 - Tekstslide

48 a Als mensen tot op hoge leeftijd werken behoren zij al die tijd tot de beroepsbevolking. Zij bieden zich dan langere tijd aan op de arbeidsmarkt.

Slide 2 - Tekstslide

b Met een dalend sterftecijfer (van de beroepsbevolking) en stijgend geboortecijfer zal na verloop van tijd het arbeidsaanbod toenemen en dus de beroepsbevolking. Indien er meer mensen (in de leeftijd van de beroepsbevolking) naar Nederland komen dan vertrekken dan neemt de beroepsbevolking toe en vice versa. Antwoord: Het arbeidsaanbod blijft gelijk. Zowel werkenden als mensen die een baan zoeken horen bij het arbeidsaanbod.

Slide 3 - Tekstslide

c Let op: in de gecorrigeerde bijdruk is dit figuur aangepast: 80%. 18 – 10 ÷ 10 × 100%.
Antwoord: (2 miljoen – 1,8 miljoen) ÷ 1,8 miljoen × 100% = 11,11%


Slide 4 - Tekstslide

49 a Dat het percentage ouderen in onze bevolking toeneemt.

b Er zijn steeds meer oudere mensen (boven de 67 jaar). Deze mensen behoren niet tot de beroepsbevolking. 

c Alle oudere mensen die niet meer werken hebben een AOW-uitkering en zorg nodig. De kosten hiervoor moeten worden opgebracht door de mensen die werken. De mensen die werken moeten dus veel betalen voor de oudere generatie.

d AOW-leeftijd verhogen. AOW-uitkering verlagen. AOW-premies verhogen. Bezuinigen op andere uitgaven van de overheid. 

Slide 5 - Tekstslide

50 a In vergelijking tot 2008 is in 2015 de werkloze beroepsbevolking toegenomen en het aantal banen afgenomen.

b Die conclusie kun je niet trekken omdat je het aantal deeltijders niet kent.

Slide 6 - Tekstslide

51 3,6 miljoen uren ÷ 1.800 uur per arbeidsjaar = 2.000 arbeidsjaren

52 4 ÷ 6 × 100% = 66,7% 

Slide 7 - Tekstslide

53 a De omvang van de beroepsbevolking heeft geen invloed op de werkgelegenheid. De beroepsbevolking biedt zich aan op de arbeidsmarkt en de werkgelegenheid zijn het aantal beschikbare arbeidsplaatsen.
b Er is sprake van een aanbodoverschot. Het aantal mensen dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt is groter dan de vraag naar arbeid.
c Door mechanisering en automatisering wordt arbeid overgenomen door machines en computers. Hierdoor neemt de vraag naar personeel af.

Slide 8 - Tekstslide

54 a Doordat wellicht meer mannen hun baan zijn kwijtgeraakt of minder zijn gaan verdienen, waren er meer vrouwen genoodzaakt om aan de slag te gaan. Ook is de kinderopvang de laatste jaren door de overheid sterk gestimuleerd.

b Landen als Denemarken, Zweden en Estland hebben een hogere arbeidsparticipatie. Onder andere een beter georganiseerde kinderopvang is daarvoor een oorzaak. Nederland scoort in het algemeen wel hoog als het gaat om arbeidsparticipatie. Wel werken er in Nederland in verhouding veel mensen in deeltijd. 

c (65 – 55) ÷ 55 × 100% = 18,2%

Slide 9 - Tekstslide

55 Doordat de bestedingen afnemen is er minder vraag naar producten en neemt de productie bij bedrijven af. Door de afnemende productie hebben producenten minder personeel nodig. De werkloosheid stijgt. 

Slide 10 - Tekstslide

56 a Mensen hebben in Nederland recht op een bepaald minimumloon. Dit zorgt ervoor dat mensen niet hoeven te werken voor een loon waarvan ze (bijna) niet kunnen leven.

b De lonen in Nederland kunnen hierdoor hoger worden dan in het buitenland. Hierdoor stijgen de kosten voor ondernemers. Deze kosten moeten ze doorrekenen in hun producten. Ze zijn daarom duurder dan hun concurrenten uit het buitenland.

Slide 11 - Tekstslide

c Doordat arbeid duurder wordt zullen bedrijven minder mensen aantrekken omdat dit hoge kosten oplevert. De vraag daalt dus.

d Hierdoor levert arbeid meer op voor mensen die willen werken. Meer mensen zullen zich aanbieden op de arbeidsmarkt.  

Slide 12 - Tekstslide

57 a De hoogte van de lonen in Nederland.
b Het aanbod van arbeid is te groot in verhouding tot de hoogte van de lonen.
c Structurele werkloosheid. 
d Eigen antwoord, bijvoorbeeld:
  - het verlagen van het minimumloon.
  - het verlagen van de uitkeringen.
  - de inhoud van passend werk verruimen.
  - bedrijven subsidiëren die langdurig werklozen in dienst nemen.


Slide 13 - Tekstslide