Les 22 taal PABO, 8 april 2026

Les 22 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsHBOStudiejaar 1,2

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Les 22 | Taal 2.
  1. Inchecken: Hoe voel je je?
  2. De vorige les
  3. Opwarmertje
  4. Instructie
  5. Zelfstandig werken
  6. Evaluatie

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inchecken; Hoe voel je je nu?

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe voel je je?

Blij, enthousiast of..
Normaal, rustig of...
Moe, nerveus, verdrietig of...

Slide 3 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

De vorige les.
Taal 2.
Lesdoel(en) | Lesson objective(s):
  • Leer je de begrippen cognitieve belasting en contextuele inbedding.
  • Leer je hoe je van een min-minsituatie een win-winsituatie kunt maken.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vraag uit een eerdere les | Leg uit waarom modelen volgens de theorie een effectieve techniek is in het leesonderwijs. Betrek in je uitleg de fases ik – wij – jullie en het nut van het hardop formuleren van het denkproces.

Slide 5 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leg uit hoe voorkennis en schema’s in het hoofd van een leerling invloed hebben op de cognitieve belasting tijdens het lezen van een tekst. Betrek in je antwoord minstens twee factoren die de cognitieve belasting verhogen.

Slide 6 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leg uit wat contextuele inbedding is en hoe zowel talige als niet-talige context kan bijdragen aan het verminderen van cognitieve belasting bij het lezen van een tekst. Waarom is het volgens de theorie belangrijk dat leraren vooraf mogelijke struikelblokken in een tekst opsporen?

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leg uit wat een min-min situatie in taalgericht vakonderwijs is en beschrijf hoe leraren deze situatie kunnen omzetten in een win-win situatie. Betrek in je antwoord minstens twee bepalende factoren uit de theorie.

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leg uit hoe de drie fasen van het win-win model van Verbeek en Verhallen (2004) bijdragen aan geïntegreerd taal- en zaakvakkenonderwijs. Waarom is de volgorde van deze fasen belangrijk?

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarom is het volgens het stappenplan van scaffolding (Van der Pol, 2013) belangrijk dat een leraar eerst een probleemdiagnose stelt voordat hij hulpstrategieën inzet? Betrek in je antwoord ook de rol van de begripscheck.

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Taal 2.
Lesdoel(en):
  1. Hoe je aan de slag kunt gaan met allerlei MTV-werkvormen.
  2. Hoe je feedback geeft op de mondelinge taalvaardigheid van kinderen.

Deze les bevat theorie vanuit bijeenkomst 10.

MTV = mondelinge taalvaardigheid.



Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Mondelinge taalvaardigheid (herhaling).
Er zijn 7 spreekdoelen.

1. Informeren = De schrijver geeft feitelijke informatie over een onderwerp.
Voorbeeld: Een nieuwsartikel over een nieuwe speeltuin in de wijk.

2. Amuseren = De schrijver wil de lezer vermaken of laten genieten van een verhaal.
Voorbeeld: Een grappig verhaal of een spannend kinderboek.

3. Instrueren = De schrijver legt uit hoe je iets moet doen of maken.
Voorbeeld: Een recept voor pannenkoeken of een handleiding om een spel te spelen.

4. Overtuigen = De schrijver probeert de lezer over te halen tot een bepaalde mening of standpunt.
Voorbeeld: Een betoog waarin wordt uitgelegd waarom er meer bomen op het schoolplein moeten komen.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Mondelinge taalvaardigheid (herhaling).
5. Emotioneren = De schrijver probeert gevoelens op te roepen bij de lezer, zoals verdriet, blijdschap of medelijden.
Voorbeeld: Een verhaal over een zielig dier dat wordt gered.

6. Waarderen = De schrijver geeft een oordeel over iets en onderbouwt dat.
Voorbeeld: Een recensie van een film of boek.

7. Beschouwen = De schrijver bekijkt een onderwerp van verschillende kanten zodat de lezer erover kan nadenken.
Voorbeeld: Een tekst waarin zowel voor- als nadelen van huiswerk worden besproken.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Mondelinge taalvaardigheid (herhaling).
De relatie tussen luisterstrategieën en luisterdoelen.



Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Rijke gesprekken.
Rijke gesprekken helpen kinderen om kennis op te bouwen. Hiervoor gebruiken ze taal. Jonge kinderen ontwikkelen eerst hun Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT): taal die ze gebruiken in alledaagse situaties.

Vanuit deze basis ontwikkelen ze Cognitief Academische Taalvaardigheid (CAT). Dit is meer abstracte en schoolse taal die nodig is om over leerstof en vakinhoud te praten.

Met behulp van CAT kunnen kinderen betekenisvolle gesprekken voeren over vakinhouden, waardoor hun kennis en denkvaardigheden verder groeien.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Begrijpend luisteren.
Een belangrijk onderdeel van de rijke gesprekken vormt het begrijpend luisteren.


Kinderen werken aan verschillende vaardigheden;
  1. Inzetten van de juiste luisterstrategie
  2. Herkennen van de structuur
  3. Volgen van de redenering
  4. Volgen van de argumentatie

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Instructie.
Rijke gesprekken en vakinhoud.
Natuur en techniek;
Kritische, nieuwsgierige houding ontwikkelen.
Relevante kennis van concepten verwerven; verschijnselen beschrijven, vergelijken, verklaren. 

Geschiedenis;
Ontwikkelen van historisch besef.
Beschrijven van processen van veranderingen en continuïteit, verklaren van verschijnselen, vergelijken tussen periodes.

Rekenen;
Denkstappen kunnen formuleren.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zelfstandige verwerking.
Kennis testen.
Lesdoel(en):
  1. Hoe je aan de slag kunt gaan met allerlei MTV-werkvormen.
  2. Hoe je feedback geeft op de mondelinge taalvaardigheid van kinderen.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Drie situaties in de klas:
1. Een leerling vertelt in de kring over hoe hij een moeilijke puzzel heeft opgelost en legt uit welke stappen hij heeft gevolgd.
2. De leerkracht leest een spannend sprookje voor en de leerlingen luisteren aandachtig, lachen en reageren op grappige momenten.
3. Twee leerlingen bespreken de voor- en nadelen van huiswerk en geven aan wat ze zelf van het onderwerp vinden.

Welk spreekdoel hoort het best bij deze drie situaties?

A.
1 → Informeren
2 → Emotioneren
3 → Overtuigen

B.
1 → Instrueren
2 → Amuseren
3 → Beschouwen

C.
1 → Amuseren
2 → Instrueren
3 → Waarderen

D.
1 → Overtuigen
2 → Beschouwen
3 → Emotioneren

Slide 19 - Open vraag

Situatie 1 → Instrueren: de leerling legt uit hoe hij de puzzel heeft opgelost.

Situatie 2 → Amuseren: het sprookje is bedoeld om plezier te beleven en reacties uit te lokken.

Situatie 3 → Beschouwen: de leerlingen bekijken een onderwerp van verschillende kanten en vormen een eigen mening.
Drie situaties in de klas:
1. De leerkracht geeft een instructie voor het knutselwerk dat de leerlingen straks moeten maken.
2. De leerkracht leest een spannend verhaal voor waarin de leerlingen worden meegenomen in de sfeer en emoties van het verhaal.
3. Twee leerlingen vertellen hun mening over de voor- en nadelen van een schoolreis, en de klas moet hier een eigen standpunt bij vormen.

Welke luisterstrategieën en luisterdoelen horen het best bij deze drie situaties?

A.
1 → Gericht luisteren; een bepaalde handeling willen uitvoeren
2 → Globaal luisteren; een bepaald gevoel willen ondergaan
3 → Kritisch luisteren; zich een mening willen vormen

B.
1 → Intensief luisteren; iets te weten willen komen
2 → Kritisch luisteren; zich een mening willen vormen
3 → Globaal luisteren; een bepaald gevoel willen ondergaan

C.
1 → Globaal luisteren; een bepaald gevoel willen ondergaan
2 → Gericht luisteren; een bepaalde handeling willen uitvoeren
3 → Intensief luisteren; iets te weten willen komen

Slide 20 - Open vraag

Situatie 1 → Gericht luisteren: de leerlingen luisteren naar de instructie om de activiteit correct uit te voeren.

Situatie 2 → Globaal luisteren: de leerlingen luisteren naar het verhaal en ervaren de sfeer en emoties.

Situatie 3 → Kritisch luisteren: de leerlingen luisteren naar argumenten en vormen een eigen mening of standpunt.
Een leerkracht merkt dat leerlingen moeite hebben om vakinhoud te bespreken. Ze besluit eerst een kringgesprek te houden over een alledaags onderwerp, waarna ze dezelfde strategie toepast tijdens een les over het zonnestelsel. Welke theorieachtergrond ondersteunt deze aanpak het meest?

A. Kinderen leren vakinhoud alleen door lezen en schriftelijk werk.
B. Ontwikkeling van Dagelijkse Algemene Taalvaardigheid (DAT) legt de basis voor Cognitief Academische Taalvaardigheid (CAT).
C. Alleen rijke gesprekken over vakinhoud ontwikkelen taalvaardigheid.
D. Cognitieve belasting is alleen relevant bij schriftelijke teksten.

Slide 21 - Open vraag

Door eerst een kringgesprek over alledaagse onderwerpen te voeren, oefenen leerlingen hun DAT, wat de basis legt voor CAT. Vervolgens kunnen ze dezelfde strategie gebruiken bij abstractere vakinhoud, waardoor ze beter betekenisvolle gesprekken kunnen voeren over de leerstof.
Waarom is begrijpend luisteren volgens de theorie een belangrijk onderdeel van rijke gesprekken in verschillende schoolvakken?

A. Omdat leerlingen hierdoor vooral beter leren samenvatten wat een ander heeft gezegd.

B. Omdat leerlingen door begrijpend luisteren niet alleen informatie opnemen, maar ook de structuur, redenering en argumentatie van een uitleg kunnen volgen, wat nodig is om vakinhoud te begrijpen.

C. Omdat begrijpend luisteren ervoor zorgt dat leerlingen automatisch meer voorkennis ontwikkelen over alle vakgebieden.

D. Omdat leerlingen door begrijpend luisteren vooral nieuwe vakwoorden leren gebruiken tijdens gesprekken.

Slide 22 - Open vraag

Begrijpend luisteren helpt leerlingen om de structuur van uitleg, redeneringen en argumentaties te volgen. Dit is belangrijk in verschillende vakken, bijvoorbeeld bij verklaringen in natuur & techniek, historische processen in geschiedenis en denkstappen in rekenen. Hierdoor groeit zowel hun kennis als hun denkvaardigheid.
De volgende les.
Wat ga je leren?
De volgende les:
  • Les 11 heeft geen theorie meer om te behandelen, maar zijn allemaal praktijkopdrachten en circuitopdrachten die je in groepjes moet uitvoeren. Zullen we de aankomende week 2 lessen inplannen en alle behandelde theorie in 2 delen oefenen met 2 oefentoetsen? Of heb je andere wensen?

Belangrijk: Ik stuur je, na elke les, de LessonUples naar je toe. Herhalen is belangrijk.



Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies