4.5 Genexpressie

DNA
4.5 Genexpressie
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

DNA
4.5 Genexpressie

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesprogramma
  • Huiswerk
  • Leerdoelen
  • Uitleg
  • Vragen
  • Nabespreken
  • Huiswerk

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke vragen van het huiswerk willen jullie dat ik bespreek?

Slide 3 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  • Je kunt verschillende manieren van genregulatie beschrijven bij prokaryoten.
  • Je kunt verschillende manieren van genregulatie beschrijven bij eukaryoten.
  • Je kunt beschrijven wat het belang is van genexpressie voor zelfregulatie en zelforganisatie van een organisme.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

genregulatie / genexpressie
genregulatie
het aan- en uitzetten van een gen

genexpressie (=het aanstaan)
de informatie van het DNA wordt overgeschreven tot RNA, waarvan de code door translatie kan worden omgezet tot een eiwit

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

doel van genregulatie
* variatie in intensiteit van genexpressie 

enzymen nodig voor basisfunctie cel                    altijd expressie
enzymen voor specifieke functie cel             niet altijd expressie

* voorkomen van verspilling grondstoffen en energie

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


OPERON: 
- stuk DNA waarin regulatorgen, promotor en structuurgenen liggen 
- alle genen die vorming van eiwit reguleren 
- bij prokaryoten codeert het regulatorgen voor een repressor


Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

genregulatie in een prokaryoot 
(structuur)-genen staan uit
genregulatie in een prokaryoot 
(structuur)-genen staan aan
structuurgenen bevatten de informatie voor eiwitten

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

REPRESSIE
  • regulatorgen codeert voor repressor.
  • geen lactose, geen transcriptie
  • repressor blokkeert operator
  • RNA polymerase geblokkeerd
  • structuurgenen kunnen niet afgelezen worden.
  • regulatorgen codeert voor repressor.
  • - geen lactose, geen transcriptie
  • - repressor blokkeert operator
  • - RNA polymerase geblokkeerd
  • - structuurgenen kunnen niet afgelezen worden.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

afbraak van lactose met behulp van enzym
bij E.coli (een bacterie)

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opheffing repressie
  •  inductor lactose bindt repressor
  • repressor kan operator niet meer blokkeren
  • RNA polymerase leest structuurgenen z, y, a
  • transcriptie van mRNA
  • eiwitsynthese van enzymen (B-galactosidase) voor vertering lactose

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gen staat uit
Gen staat aan

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Repressor/Corepressor
Repressors kunnen inactief worden gemaakt:
- Inductor bindt repressor waardoor operator vrijkomt

Of actief worden gemaakt:
- corepressor bindt aan repressor
- actieve repressor bindt aan operator

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is genexpressie?
A
het tot uiting komen van een gen
B
het afgelezen worden van een gen
C
het maken van eiwitten op ribosomen
D
het maken van verschillende celtypen

Slide 16 - Quizvraag

Genexpressie is het tot uiting komen van genen. Hiervoor moet het gen afgelezen worden, en worden vertaald naar een eiwit. Genexpressie zorgt ervoor dat er verschillende celtypen (kunnen) bestaan. 
Waarom is het voor E. coli gunstig om deze enzymen niet altijd te maken?
A
Als er te veel zijn is het giftig
B
Zonder lactose zijn ze niet nodig
C
De omgeving maakt deze enzymen ook

Slide 17 - Quizvraag

De enzymen voor de afbraak van lactose worden alleen gemaakt als er lactose als voedingsstof aanwezig is. Als de enzymen zouden worden afgeschreven terwijl er geen lactose aanwezig is, kost dit kostbare bouwstoffen (RNA, aminozuren), terwijl het enzym niks te doen heeft. Het kost dan dus bouwstenen en energie om het enzym te maken, maar de cel krijgt er niks voor terug.
Wat is de situatie?
A
Veel lactose, repressor inactief
B
Veel lactose, repressor actief
C
Weinig lactose, repressor inactief
D
Weinig lactose, repressor actief

Slide 18 - Quizvraag

Er is veel lactose en de repressor is inactief. Dit kan je zien aan het feit dat de structuurgenen worden afgelezen. De structuurgenen worden alleen afgelezen als de repressor inactief is, en de repressor is alleen inactief als er veel lactose is. 
Stamcellen
Alle +/- 220 celtypen in een volwassen mens zijn ontstaan uit stamcellen 

Slide 19 - Tekstslide

Bij eukaryoten is de regulatie van genexpressie ingewikkelder. Wij hebben als mens ongeveer 220 verschillende celtypen, die allemaal zijn ontstaan uit één zygote. Om zoveel verschillende celtypen te kunnen vormen is complexe regulatie nodig.
Genregulatie eukaryoot  stamcellen
Stamcellen - cellen die nog niet (volledig) zijn gespecialiseerd en zich onbeperkt kunnen delen. 

Stamcellen (en kanker-,  zaadcelmoeder-  en eicelmoedercellen)  kunnen zich onbeperkt blijven delen door het enzym telomerase, wat een telomeer weer langer kan maken.

Typen: Omnipotent/totipotent, pluripotent, multipotent 

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Telomerase
  • Telomerase maakt telomeer weer lang
  • Gebruikt RNA-deel om DNA te vormen
  • In meeste cellen onderdrukt

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verschillende stamcellen
  • Omnipotente (totipotente): kunnen zich differentiëren tot elke celtype (ook placenta en navelstreng) 
  • Pluripotente: kunnen zich differentiëren tot elke celtype van een het organismen.
  • Multipotente: kunnen zich differentiëren tot een beperkt aantal celtypen.  

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Genregulatie en celdifferentiatie in embryonale stamcellen

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

regulatorgenen coderen in eukaryoten voor transcriptiefactoren

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

LES TRANSCRIPTIE:
RNA-polymerase bindt aan het DNA-startpunt (promotor), MITS er transscriptiefactoren aan vastzitten. 

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Apoptose
= Geprogrammeerde celdood. 

Wanneer een cel ongewenst is, zullen enzymen de cel doden. Elke cel cel bevat deze enzymen, die hun werk doen zodra ze worden geactiveerd. 

Het cytoskelet wordt afgebroken en het DNA van de cel wordt in stukjes geknipt.

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeelden apoptose

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe vaak kan een stamcel zich delen?
A
maximaal 1 keer
B
een beperkt aantal keer
C
oneindig vaak

Slide 28 - Quizvraag

In stamcellen is telomerase actief. de telomeren worden dus bij elke deling verlengd, waardoor de cel kan blijven delen. 
Bij prokaryoten bindt RNA-polymerase aan de promotor als daar ook transcriptiefactoren gebonden zijn
A
waar
B
niet waar

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Genregulatie bij volwassenen
- De gen regulatie kan inhaken op alle tussenstappen bij het proces eiwitsynthese. 

Aan bod komen deze les
- regulatie via transcriptiefactoren  
- regulatie via compacter maken DNA
- regulatie via splicing 
- regulatie via RNA-interferentie met miRNA

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

regulatorgenen coderen in eukaryoten voor transcriptiefactoren

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Genregulatie door: Activator / repressor
RNA-polymerase heeft de hulp nodig van transcriptiefactoren om de transcriptie te kunnen beginnen.

-Activators binden aan een specifieke DNA-sequentie genaamd enhancer. --> AAN

-Repressors binden aan bepaalde sequenties in het DNA en blokkeren daardoor RNA-polymerase.  --> UIT

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Genregulatie door: Alternatieve splicing
Er verschillende mogelijkheden voor splicing van een pre-mRNA-molecuul. 

Hierdoor kunnen verschillende mRNA-moleculen worden gevormd en kan één gen coderen voor verschillende eiwitten. 

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Genregulatie door:
RNA-interferentie (RNAi)
  • Kort type RNA: micro-RNA (miRNA) 
  • miRNA bindt eiwitcomplex en vormt miRNA-eiwit complex
  • miRNA-eiwitcomplex remt genexpressie door het afbreken of blokkeren van mRNA-moleculen zodat geen translatie kan plaatsvinden.

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

RNAi
RNA-interferentie
miRNA

Slide 37 - Tekstslide

microRNA bindt aan een eiwitcomplex en zorgt ervoor dat het mRNA niet kan worden afgelezen. 
Histonbinding +
DNA-methylering
Bepaalde stoffen kunnen de histonen ertoe aanzetten om het DNA steviger of juist losser te binden: dat bepaalt de mate waarin het DNA is af te lezen.

Als het DNA op bepaalde plaatsen niet meer is af te lezen omdat er methylgroepen (meestal aan cytosine) zijn gebonden, noem je dat DNA-methylering.  Dit kan worden doorgegeven aan het nageslacht. 

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Epigenetica
= wetenschap over de omkeerbare veranderingen in de activiteit van genen, die niet het gevolg zijn van veranderingen in de nucleotidevolgorde in het DNA.

  •  o.a. de histonbinding en DNA-methylering uit de vorige slide. 

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Genregulatie bij volwassenen
- De gen regulatie kan inhaken op alle tussenstappen bij het proces eiwitsynthese. 

Aan bod komen deze les
- regulatie via transcriptiefactoren  (activatoren en repressor)
- regulatie via compacter maken DNA
(histonen en methylethylering)
- regulatie via alternatieve splicing 
- regulatie via RNA-interferentie met miRNA

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer een gen aan staat, kan door transcriptie RNA ontstaan en door translatie een eiwit
A
juist
B
onjuist

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe noem je transcriptiefactoren die leiden tot meer genexpressie?
A
enhancer
B
repressor
C
activator

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarvoor staat de afkorting miRNA?
A
medium interfering RNA
B
micro RNA
C
messenger insert RNA
D
micro interfering RNA

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In een gen zijn 7 exons. Na transcriptie kunnen door alternative splicing meerdere mRNA's ontstaan die worden vertaald verschillende eiwitten.
A
waar
B
niet waar

Slide 45 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

DNA-methylering houdt in:
A
De allelen worden niet goed gelezen.
B
De allelen worden beter afgelezen.
C
Het aflezen van allelen wordt beter of minder.

Slide 46 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
Leer blz. 99 t/m 110.

Maken + nakijken opdr. t/m 38.

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies