Straattaal BO4

Nederlands 
maart 2023 trimester 2
FAWAKA BROEDERS
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Nederlands 
maart 2023 trimester 2
FAWAKA BROEDERS

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
Aan het eind van deze les...
  • Herken je het verschil tussen straattaal en standaard Nederlandse taal.
  • Begrijp je wat straattaal is en welke plek het in jullie/ons dagelijks leven inneemt.
  • Heb je van een standaard Nederlandse tekst een tekst in straattaal gemaakt.

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

De Nederlandse taal(vormen)
  • Nederlandse taal, ook wel standaardtaal of algemene omgangstaal. Er is niet één soort Nederlands dat door iedereen gesproken wordt. 
  • Daarnaast zijn er allerlei dialectvormen en jongerentaal b.v. straattaal. Talen veranderen continu door de creativiteit van mensen.

Slide 4 - Tekstslide

Fawaka broeders

Straattaal. Het is een mengtaal die jongeren van verschillende culturele en sociale achtergronden in het dagelijks leven spreken op school en op straat. Het zorgt voor samenhang onder jongeren.

Slide 5 - Tekstslide


  • Straattaal is een zelfgemaakte taal vol afkortingen in sms- en apptaal, woorden uit de hiphop en leentermen uit het Marokkaans, Turks, Engels, Antiliaans en Surinaams gemengd met Amerikaanse slang. 

  • In Nederland is de basistaal Nederlands. Er wordt gespeeld met lidwoorden, toon, tempo en volume. 


Slide 6 - Tekstslide

  • Wikipedia: dialect is in de taalkunde de benaming voor een talige variëteit die niet als standaardtaal geldt. Nederlandse dialecten zijn nauw verwant aan de Nederlandse taal, vaak weer onderverdeeld in regiolecten en stadsdialecten.

  • Eenvoudig uitgelegd: dialect is een taal op zich met een eigen woordenschat, klanken en grammatica. Een dialect kan voor vooroordelen zorgen ('dom', maar gezellig) en kan minder kansen geven bij  bijv. sollicitaties. Een dialect kan soms lastig verstaanbaar zijn voor iemand die het dialect niet spreekt of kent.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Fawaka broeders
  • Straattaal is ontstaan aan het einde van de 20ste eeuw (jaren '90) in de grotere Nederlandse steden. Dit kwam doordat hier veel jongeren woonden met verschillende achtergronden.
  • Straattaal ontwikkelt zich snel en jongeren nemen het steeds meer en makkelijker van elkaar over. Jongeren spreken in straattaal omdat het populair is.
 

Slide 9 - Tekstslide

Fawaka broeder
  • Toen straattaal eind jaren '90 opkwam, werd het door de Nederlandse journalisten ook wel spottend 'smurfentaal' genoemd.


Slide 10 - Tekstslide

Overeenkomsten straattaal & dialect(en)

  • Beide zijn varianten binnen het standaard Nederlands.
  • Wordt naast het Nederlands gebruikt.
  • Beide zijn een typische 'in-group' spreekstijl' -> onderling kunnen ze elkaar goed verstaan.
  • Verschillen in regio's of groepen -> veel variatie en verandering.
  • Verbondenheid en groepsgevoel.
  • Stoerheid (straattaal) & gezelligheid (dialecten).
  • Kan nadelig zijn voor een succesvolle maatschappelijke carrière -> niet algemeen geaccepteerde norm.

Slide 11 - Tekstslide

timer
0:30
Wie van jullie gebruikt
er weleens straattaal?

Slide 12 - Woordweb

Slide 13 - Video

Straattaal en muziek
  • Straattaal vindt zijn oorsprong uit verschillende culturen en talen. Zo vinden we bijvoorbeeld veel Arabische, Surinaamse en Engelse woorden terug in de Nederlandse straattaal.

  • Een van de redenen dat straattaal onder jongeren populair is, is muziek. Veel Nederlandse rappers maken hiervan gebruik. Luister maar mee!

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video

Schrijf nu zelf zoveel mogelijk straattaal op.
Bijvoorbeeld:
Ballie patta's - voetbalschoenen
Tellie - Telefoon
Niffauw - neef/vriend
timer
2:00

Slide 16 - Open vraag

Slide 17 - Tekstslide

Opdracht 
  • Herschrijf het sprookje 'roodkapje' in straattaal. 
  • Jullie werken in tweetallen. 
  • Gebruik rond de 50 woorden. 
  • Zet de tekst in de Lessonup bij de open vraag. 
  • Jullie krijgen hier 10 minuten de tijd voor. 


Slide 18 - Tekstslide

Chimeid in het bos

Een paar tajas geleden was er izjen chimeid. Ze werd door haar ma gestuurd om naar haar oma te gaan om een mand te brengen met appels. Ze loopt zo door die bos, opeens komt er een grote wolf en die wolf is gek in ze hoofd. Hij werd helemaal lijp! Uiteindelijk bleek hij gewoon chala te zijn. Dus die wolf draait een gekke jonko, hij werd helemaal scaffa. Roodkapje ging helemaal lek, ze zei: ‘’Tfoe e vieze jala.” Ze liepen lang naar die osso van die oma. Roodkapje was zo moe, ze ging effe wachten, maar de wolf zei: “Ey broer wakka.” Roodkapje zei tegen de wolf: “Ga jij maar broer, je hoeft niet op mij te wachten.” Die wolf zei: “Saff, ik zie je zo.” Roodkapje komt zo aan bij die osso van die oma. Ze zegt zo tegen haar oma: “Fakka met je haar en met je buik en fakka met je kleren.” Komt ze er gewoon achter dat die wolf die oma heeft gechapt.  

Slide 19 - Tekstslide

https://padlet.com/milenaboem/mijn-fantastische-padlet-s2u4b4tje34g8951

Slide 20 - Tekstslide

timer
10:00

Slide 21 - Tekstslide


timer
10:00

Slide 22 - Open vraag

Wat hebben jullie al gedaan?
  • Jullie hebben nu voorbeelden gezien van waar en hoe straattaal wordt gebruikt.
  • Jullie hebben nagedacht over welke straattaalwoorden je kent, en wat ze betekenen in Standaardnederlands.


 

Slide 23 - Tekstslide

Ronde 1
  • Om te kijken of informatie is blijven hangen hebben we een quiz gemaakt. 
  • In de eerste ronde moet je de betekenis van een aantal woorden uit songteksten raden.

Slide 24 - Tekstslide

Die fissa was tantoe hard, door al die dope pokoes!
A
Dat feest duurde tot zo laat, door al die dure drankjes!
B
Dat feest was heel leuk, door al die gave nummers!
C
Dat festival liep zo uit de hand, door al die drugs!

Slide 25 - Quizvraag

''Zie ik wil peng tings 'pon road, nu heb ik peng tings on hold'' - Ronnie Flex
A
Ik wil knappe vrouwen onderweg, nu zet ik knappe vrouwen in de wacht.
B
Ik wil een geweer mee op reis, nu heb ik een geweer bij me.
C
Ik wil lekker eten onderweg, het lekkere eten wacht op me.

Slide 26 - Quizvraag

No span, er zit nog gas in die whip.
A
Geen stress, er zit nog benzine in de auto.
B
Geen zorgen, ik heb nog genoeg energie.
C
Ze is niet knap, maar heel bijdehand

Slide 27 - Quizvraag

''Ik beef met je peki''- Sevn Alias
A
Ik rooster je kip
B
Ik maak ruzie met je vriend
C
Ik maak ruzie met je vrouw

Slide 28 - Quizvraag

Ronde 2
Vragen over de straattaal zelf. Welke kennis heb jij opgedaan tijdens de les?

Slide 29 - Tekstslide

Wanneer is straattaal ontstaan?
A
eind 20e eeuw
B
eind 19e eeuw
C
Begin van het jaar 2000

Slide 30 - Quizvraag

Hoe komt het dat veel jongeren straattaal overnemen?
A
Het wordt gebruikt in songteksten
B
Jongeren zijn gevoelig voor populariteit en nemen dit van elkaar over.
C
Jongeren die straattaal spreken zijn vaak tweetalig opgevoed en leren dit thuis.

Slide 31 - Quizvraag

Wat zijn eigenschappen van een dialect?
A
Het wordt op school geleerd.
B
De spelling en grammatica zijn niet vastgelegd.
C
De woordbetekenissen zijn vastgelegd.
D
Maakt deel uit van het culturele erfgoed van een bepaalde regio.

Slide 32 - Quizvraag

Hoe werd straattaal ook wel genoemd?
A
Smurfentaal
B
Jip en Janneke-taal
C
Papiaments

Slide 33 - Quizvraag

Waarom straattaal?
A
Een taal die niet iedereen begrijpt, kan handig zijn
B
Soms zijn Nederlandse woorden moeilijk te vinden
C
Het is een vorm van sociale identiteit onder jongeren.

Slide 34 - Quizvraag

Wat vind jij van mensen die het spreken van dialecten niet accepteren?
A
Ik vind ook dat alleen het standaard Nederlands gesproken mag worden.
B
Ik vind dat het afhankelijk is van het accent.
C
Ik vind dat het afhangt van de situatie.
D
Ik vind dat iedereen een dialect mag spreken.

Slide 35 - Quizvraag

Wat vond je van deze les?
Geef een cijfer tussen 1 en 10

Slide 36 - Open vraag

Wat vond je van het niveau van deze les?
A
Te moeilijk
B
Te makkelijk
C
Precies goed
D
Veel te moelijk

Slide 37 - Quizvraag

Welk onderdeel van de les vond je
het meest interessant?
A
Liedje over jongerentaal klokhuis
B
Lingo
C
Roodkapje herschrijven in straattaal
D
Filmpje SKRT SKRT SKRT

Slide 38 - Quizvraag

Welk onderdeel van de les vond je
het minst leuk?
A
Liedje over jongerentaal klokhuis
B
Lingo
C
Roodkapje herschrijven in straattaal
D
Filmpje SKRT SKRT SKRT

Slide 39 - Quizvraag

Geef een tip.

Slide 40 - Open vraag

Slide 41 - Video