Les 19 mei

Vandaag
Opwarmer
zinnen maken
getallen
werkwoorden tegenwoordige tijd
voorzetsels


1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsEnseignement Secondaire

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vandaag
Opwarmer
zinnen maken
getallen
werkwoorden tegenwoordige tijd
voorzetsels


Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Link

Slide 3 - Tekstslide

Hoe oud ben jij?
(schrijf het in letters)

Slide 4 - Open vraag

3
A
dire
B
drie
C
derie
D
trie

Slide 5 - Quizvraag

20
A
twintig
B
twentig
C
twinteg
D
twenteg

Slide 6 - Quizvraag

negen - drie =
A
vier
B
vijf
C
zes
D
zeven

Slide 7 - Quizvraag

Veertien - vier = elf
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quizvraag

vijf min vijf is
A
vijf
B
nul
C
tien
D
vijfentwintig

Slide 9 - Quizvraag



Hoeveel blokjes liggen hier?
A
zes
B
vijf
C
acht
D
zeven

Slide 10 - Quizvraag

Hoeveel blokjes liggen hier?
(schrijf in letters)

Slide 11 - Open vraag

Boek
Opdracht 17 en 18
blz. 69

Daarna werkwoorden:

Slide 12 - Tekstslide

Boek
1.      3
2.   13
3.   30
4.    4
5.    14
6.    40
7.      8
8.    18
9.    80

Tachtig

Slide 13 - Tekstslide

Wat is een goede zin?
A
Zij krijg een auto.
B
Zij krijgen een auto.
C
Zij krijg auto.
D
Zij krijgen auto.

Slide 14 - Quizvraag

Hoe maak je een goed werkwoord? 
Ik wandel
Jij wandel
Hij wandel
Zij wandelt
Wij wandelen
Jullie wandelen
Zij wandelen 

Slide 15 - Tekstslide

Hoe maak je een goed werkwoord? 
Ik doe boodschappen 
Jij doe ....  boodschappen
Hij doe .... boodschappen
Zij doe ..... boodschappen
Wij doen boodschappen
Jullie doen boodschappen
Zij doen boodschappen 

Slide 16 - Tekstslide

Hoe maak je een goed werkwoord? 
Ik fiets naar school 
Jij fietst naar school 
Hij  fietst naar school 
Zij  fietst naar school 
Wij  ..............naar school 
Jullie  ...........naar school 
Zij  ...........naar school 

Slide 17 - Tekstslide

De 'tegenwoordige tijd' is NU.
Welke zin is in de tegenwoordige tijd?
A
De kinderen spelen in de tuin.
B
De kinderen speelden in de tuin.

Slide 18 - Quizvraag

De 'tegenwoordige tijd' is NU.
Welke zin is in de tegenwoordige tijd?
A
Hij kreeg een boek voor z'n verjaardag.
B
Zij krijgen een taart voor hun verjaardag.
C
Wij kregen speelgoed op onze verjaardag.

Slide 19 - Quizvraag

LET OP: bij een vraag met 'jij'
Jij wilt een fiets > Wil jij een fiets? 
Jij maakt een taart > Maak jij een taart?
Jij loopt naar school > Loop jij naar school? 

Slide 20 - Tekstslide

Wat is de goede zin?
A
Wandel je even met me mee?
B
Wandelt je even met me mee?

Slide 21 - Quizvraag

Wat is de goede zin?
A
Bedenkt je even een ander plan?
B
Bedenk je even een ander plan?

Slide 22 - Quizvraag

Geef het goede antwoord in de tegenwoordige tijd.
Het meisje (bellen) de politie.
A
Het meisje belde de politie.
B
Het meisje bellen de politie.
C
Het meisje bel de politie.
D
Het meisje belt de politie.

Slide 23 - Quizvraag

Geef het goede antwoord in de tegenwoordige tijd.
Ik (dromen) van hoge bergen en zon.
A
Ik droom van hoge bergen en zon.
B
Ik drom van hoge bergen en zon.
C
Ik droomde van hoge bergen en zon.
D
Ik dromen van hoge bergen en zon.

Slide 24 - Quizvraag

Geef het goede antwoord in de tegenwoordige tijd.
De paarden (rennen) vrolijk in de wei.
A
De paarden rent vrolijk in de wei.
B
De paarden rennt vrolijk in de wei.
C
De paarden renden vrolijk in de wei.
D
De paarden rennen vrolijk in de wei.

Slide 25 - Quizvraag

Vul het goede werkwoord in.
Elke dag (leren) wij wat nieuws.

Slide 26 - Open vraag

Vul het goede antwoord in.
Morgen (spelen) ik weer met mijn poppen.

Slide 27 - Open vraag

Vul het goede antwoord in.
Mijn moeder (bakken) vaak een appeltaart.

Slide 28 - Open vraag

Vul het goede antwoord in.
De oude man (slapen) in zijn oude stoel.

Slide 29 - Open vraag

Wat is het goede werkwoord?
Hij (verkopen) de oude telefoon aan zijn zusje.
A
verkop
B
verkoop
C
verkopen
D
verkoopt

Slide 30 - Quizvraag

Wat is het goede werkwoord?
Jullie moeder (gapen) in de ochtend.
A
gap
B
gaap
C
gaapt
D
gapen

Slide 31 - Quizvraag

Wat is het goede werkwoord?
Hun ouders (tikken) op het raam.
A
tikken
B
tikten
C
tiken
D
tikt

Slide 32 - Quizvraag

Wat is het goede werkwoord?
Het jonge meisje (slepen) haar pop over straat.
A
sleept
B
sleep
C
slepen
D
slept

Slide 33 - Quizvraag

werkwoorden vervoegen

Slide 34 - Tekstslide

1. Ik _________________(zijn) blij dat ik vandaag op school ben.

Slide 35 - Open vraag

2. Jij _________________(hebben) een mooie fiets!

Slide 36 - Open vraag

3. Hij/Zij _________________(eten) elke dag een appel tijdens de pauze.

Slide 37 - Open vraag

4. Wij _________________(leren) Nederlands.

Slide 38 - Open vraag

5. Jullie _________________(spelen) graag voetbal na school, toch?

Slide 39 - Open vraag

7. Ik _________________(lezen) graag boeken in de bibliotheek.

Slide 40 - Open vraag

Boek luisteren
vanaf blz. 70




Slide 41 - Tekstslide

Voorzetsels
https://www.digipuzzle.net/minigames/classichangman/hangmanquiz_nl_voorzetsels_eduspel.htm




Slide 42 - Tekstslide

Les 19 mei

Slide 43 - Tekstslide