hoofdstuk 9 par. 2 en 3

paragraaf 9.2 kostensoorten
  • inkoopwaarde van de ingekochte producten
  • loonkosten
  • kosten diensten van derden 
  • afschrijvingskosten
  • rentekosten
  • Verkoopkosten
  • voorraadkosten
  • huisvestingskosten
Bijvoorbeeld het inhuren van een glazenwasser door een bedrijf. 
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

paragraaf 9.2 kostensoorten
  • inkoopwaarde van de ingekochte producten
  • loonkosten
  • kosten diensten van derden 
  • afschrijvingskosten
  • rentekosten
  • Verkoopkosten
  • voorraadkosten
  • huisvestingskosten
Bijvoorbeeld het inhuren van een glazenwasser door een bedrijf. 

Slide 1 - Tekstslide

Loonkosten en de wig

Slide 2 - Tekstslide

Afschrijven
  • waarom?
  • 'duurzame productiemiddelen' gaan gedurende langere tijd mee, daardoor zijn de kosten niet gelijk aan de uitgave bij aanschaf.

Slide 3 - Tekstslide

Afschrijvingskosten
bij afschrijven zijn 3 gegevens belangrijk:
  • aanschafwaarde
  • levensduur
  • restwaarde  

Slide 4 - Tekstslide

Formule afschrijvingskosten
levensduuraanschafwaarderestwaarde=afschrijving

Slide 5 - Tekstslide

rentekosten
Lening
aflossen = terug betalen van de lening
rente = kosten voor het lenen van geld

Slide 6 - Tekstslide

paragraaf 9.3 variabele en constante kosten
TVK = totale variabele kosten
TCK = totale constante kosten (vaste kosten)

Slide 7 - Tekstslide

Constante & variabele kosten
Er zijn twee soorten totale kosten:
- Totale constante kosten (TCK): onafhankelijk van de productieomvang (q)
- Totale variabele kosten (TVK): afhankelijk van de productieomvang (q)


Slide 8 - Tekstslide

Kosten
Totale kosten = totale variabele kosten + totale constante kosten


TK = TVK + TCK

Slide 9 - Tekstslide

De TK functie
TK = 200q+100.000
De variabele kosten per product zijn 200. Deze zijn afhankelijk van de afzet.
De constante kosten zijn 100.000 en onafhankelijk van de afzet.

Slide 10 - Tekstslide

Gegeven: TK= 14q + 235.000
(TK in €, q in stuks)
Met hoeveel euro nemen de totale kosten toe als er één product meer wordt geproduceerd?

Slide 11 - Open vraag

Gegeven: TK= 14q + 235.000
(TK in €, q in stuks)
Hoe groot zijn de totale constante kosten?

Slide 12 - Open vraag

Gegeven: TK= 14q + 235.000
(TK in €, q in stuks)
Bereken de totale kosten bij een productie van 100.000 stuks.

Slide 13 - Open vraag

vul de tabel in als
TK = 5q +100 en
TO = 20q
maak een foto

Slide 14 - Open vraag

Wat valt op?

Slide 15 - Tekstslide

aan de slag
checklist 9.2 maken
taken deze week opgaven 9.6, 9.9, 9.10, 9.11

Slide 16 - Tekstslide

week 6 les 2
we gaan verder met de GTK, GVK en GCK
Je krijgt een opdracht tijdens deze les.

Slide 17 - Tekstslide

(Gemiddelde) totale kosten
De variabele kosten en de constante kosten samen zijn dus de totale kosten
--> TK = TVK + TCK
Bijvoorbeeld TK=5q+10.000
De gemiddelde variabele kosten en de gemiddelde constante kosten zijn samen de gemiddelde totale kosten
--> GTK = GVK + GCK

Slide 18 - Tekstslide

Gemiddeld constante kosten
De gemiddelde kosten, zijn de kosten per product
TK = GVK.q + TCK
TK = 5q +10.000
  • GCK = TCK / q --> constante kosten per product zullen dalen als je meer gaat produceren! De constante kosten per product dalen dus als q stijgt. Bekijk de tekening goed!

Slide 19 - Tekstslide

Variabele kosten
3 varianten:
  • proportioneel 
    als q toeneemt met 10%, neemt TVK toe met 10%
  • degressief 
    als q toeneemt met 10%, neemt TVK toe met < 10%
  • progressief
    als q toeneemt met 10%, neemt TVK toe met > 10%

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Gemiddeld variabele kosten per product
De gemiddelde kosten, zijn de kosten per product
TK = GVK.q + TCK
TK = 5q +10.000
  • GVK = TVK / q --> variabele kosten per product (in dit voorbeeld zijn de variabele kosten per product dus 5)
  • Er zijn drie verschillende soorten variabele kosten.

Slide 23 - Tekstslide

GCK dalen bij toename van q

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Bij welke beschrijving past deze grafiek?
A
geen constante kosten, proportioneel variabele kosten
B
constante kosten, progressief variabele kosten
C
constante kosten, proportioneel variabele kosten
D
geen constante kosten, degressief variabele kosten

Slide 26 - Quizvraag

In welke grafiek is geen sprake van proportioneel variabele kosten?
A
B
C
D

Slide 27 - Quizvraag

Gegeven is de kostenfunctie:
TK = 134q + 123.000.
Er is hier sprake van:
A
alleen constante kosten
B
degressief variabele kosten
C
proportioneel variabele kosten
D
progressief variabele kosten

Slide 28 - Quizvraag

De kosten per product zijn € 5
en er is € 10 aan constante kosten. Hoe ziet de functie eruit?
A
TK = 5q + 10
B
TK = 10q + 5
C
GVK = 5q
D
GCK = 10

Slide 29 - Quizvraag

TK = 0.5q+500. Bij 50 stuks zijn de constante kosten per product?
A
€10
B
€25
C
€500
D
€1.250

Slide 30 - Quizvraag

Wat is de formule voor totaal variabele kosten?
A
TVK=p x q
B
TCK= p x q
C
TVK= GVK x q
D
TVK= TK x q

Slide 31 - Quizvraag

huiswerk 
maak de checklist van 9.3

Slide 32 - Tekstslide